Thema's: Onze creatieve verscheidenheid
A new global ethics
De noodzaak tot pluralisme
Een door media overspoelde wereld
recasting cultural policies

Beschouwingen van een moslim over
Een nieuwe mondiale ethiek en
Culturele verscheidenheid

Riffat Hassan

Ik ben gevraagd om het onderwerp 'nieuwe mondiale ethiek' vanuit islamitisch perspectief te behandelen en iets te zeggen over thema's die samenhangen met culturele verscheidenheid, de bredere context waarin deze discussie wordt gevoerd.

real audio file Ik wil allereerst opmerken dat ik de term 'nieuwe mondiale ethiek' zowel interessant als problematisch vind. Hij doet me denken aan de 'Universele Verklaring van de Rechten van de Mens', die weliswaar 'universeel' wordt genoemd, maar - zoals Raimundo Panikkar heeft opgemerkt - 'is opgesteld vanuit de achtergrond van historische ontwikkelingen in de westerse wereld gedurende de afgelopen drie eeuwen, en gegrond op een op individualistisch humanisme gebaseerde vorm van filosofische antropologie'. De belangrijkste vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan deze Verklaring zijn:

  • het bestaan van een universele menselijke natuur die alle volken gemeen hebben
  • de waardigheid van het individu
  • een democratische sociale orde.
8 november 1996: Een nieuwe mondiale ethiek:
Inleiding (Flora Lewis)
Samenvatting
Hans Kung
Riffat Hassan
Discussie panel
pijltje.gif (179 bytes) De noodzaak tot pluralisme
pijltje.gif (179 bytes) Een door media overspoelde wereld
pijltje.gif (895 bytes) Algemene Inleiding

conferentiehassan.jpg (10744 bytes)


In de jaren die sinds het opstellen van de Verklaring zijn verstreken, is het begrip 'mensenrechten' een onlosmakelijk onderdeel gaan uitmaken van zowel de politieke als de maatschappelijke discussie, met name in kringen van westerse of westers-opgeleide personen. Tot voor zeer kort werd deze discussie grotendeels in niet-godsdienstige termen gevoerd. In feite hebben veel verdedigers van mensenrechten in zowel westerse als niet-westerse landen (waaronder veel islamitische landen) dikwijls aangenomen - en ook expliciet uitgesproken - dat mensenrechten alleen kunnen bestaan in een seculiere context en niet binnen een religieus kader.

Het idee dat het concept mensenrechten fundamenteel niet-godsdienstig is en daarom buiten het wereldbeeld van religie valt (of er zelfs mee in tegenspraak is) is uiteraard gebaseerd op een bepaalde opvatting over godsdienst in het algemeen, of over enkele godsdiensten in het bijzonder. In sommige islamitische landen, zoals Pakistan, wordt dikwijls door seculier georiŽnteerde voorvechters van mensenrechten beweerd dat het niet zinvol is om te spreken over mensenrechten binnen de islam, omdat de islam als religieuze traditie waarden en structuren heeft gesteund die onverenigbaar zijn met de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Ik beschouw het als een ernstige tekortkoming in de oriŽntatie van de Verenigde Naties dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens godsdienst niet erkent als essentiŽle factor voor mensenrechten. Tegen de achtergrond van de reusachtige conflicten waarmee de mensheid in 1948 te maken had, is het begrijpelijk dat de Verenigde Naties zich destijds wilden distantiŽren van iedere identificatie met religie, omdat juist religie in het verleden sterk had bijgedragen aan verdeeldheid en oorlog. Het is echter veel minder gemakkelijk te begrijpen hoe het mogelijk is dat de Verenigde Naties zozeer verstrikt zijn geraakt in deze seculiere koers dat ze tot voor zeer kort bleven weigeren onder ogen te zien dat het concept mensenrechten voor miljoenen mensen, wier leven eerder is geworteld in geloof dan in ongeloof, alleen betekenis kan hebben als het deel uitmaakt van het kader van hun geloofsstelsel.

"
Vroeger hield UNESCO de communisten te vriend. Dat leverde weinig problemen op, omdat liberalen het geloof in de universele gelijkheid en de mogelijkheid van vooruitgang van de mens met de in oorsprong ook progressieve communisten deelden. Maar openlijk partij kiezen voor communistische revoluties kon natuurlijk niet. Het oude beroep om de mensenrechten te respecteren en dus voor vrede te zijn is nog altijd valide, maar nu is er een universeel recht op verscheidenheid bijgekomen. En dat levert echte problemen op

"
Jean-Pierre Guťpin


De afgelopen paar jaar, waarin de Verenigde Naties hebben geworsteld met concrete onderwerpen die essentieel zijn voor menselijke ontwikkeling en emancipatie, wordt het steeds duidelijker dat noch de zogenaamde 'universaliteit' van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, noch de moderne westerse vooronderstellingen waarop deze is gebaseerd, universeel aanvaardbaar of toepasbaar zijn. Hierop is gewezen door Johan D. van der Vyver, een van de coŲrdinatoren van het twee jaar durende internationale project over Religie en Mensenrechten, dat was opgezet door de Emory University in Atlanta, Georgia, en waaraan ik het voorrecht heb gehad deel te mogen nemen. Professor van der Vyver schrijft in zijn inleiding van het in twee delen gepubliceerde Religious Human Rights in Global Perspective, waarin de uitkomsten van het project zijn beschreven:

'In de internationale politiek begint zich een nieuwe rivaliteit af te tekenen, die min of meer is gebaseerd op een Oost-West-tegenstelling. Deze is niet gefundeerd op verschillen in economische structuur, maar op een kloof tussen op religie gebaseerde krachten. De oosterse religies, met de islam voorop, beginnen in toenemende mate vraagtekens te zetten achter westerse opvattingen over mensenrechten. Ze bestrijden de aanspraak op fundamentele geldigheid van de liberaal-individualistische aspecten van de ideologie van mensenrechten, zoals deze in het westen tot stand is gekomen en als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Terwijl de westerse tradities hun typisch liberale opvattingen over mensenrechten grotendeels hebben gegrondvest op een niet-godsdienstige basis, trachten de meeste oosterse verdedigers van mensenrechten een nauw verband te leggen tussen de waarden die in deze ideologie vervat liggen en uitgesproken religieuze vooronderstellingen. De perceptie van mensenrechten is in het Oosten dan ook meer dan in het westen bepaald door onwrikbare basisprincipes die aan religieuze opvattingen zijn ontleend.'

Op het NGO-forum van alle recente conferenties van de Verenigde Naties - de Wereldconferentie over Mensenrechten in Wenen in 1993, de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling in CaÔro in 1994 en de Wereldvrouwenconferentie in Huairou in 1995 - bleek sterk verzet te bestaan, met name van moslims, tegen wat werd gezien als 'het seculiere humanisme van het westen, met zijn sterke nadruk op het individualisme'. In de slotverklaring van de conferentie van CaÔro, tot op heden wellicht de meest controversiŽle conferentie van de Verenigde Naties, werden 'religie' (die niet werd genoemd in de oorspronkelijke opzet van de Conferentie) en 'ethiek en cultuur' (die slechts terloops waren vermeld) expliciet erkend als relevante factoren voor bevolkingsplanning en ontwikkeling. Dit wijst op een verandering in de oriŽntatie van de Verenigde Naties die radicaal genoeg is om van een paradigmaverschuiving te kunnen spreken. Het feit dat religie (tot voor kort een taboe-onderwerp) een van de belangrijkste gespreksthema's was op het NGO-forum in China toont aan dat de uitsluitend seculiere oriŽntatie van de Verenigde Naties onmiskenbaar aan het veranderen is. Naar mijn oordeel zullen de Verenigde Naties dank zij deze ontwikkeling de grote massa van de bevolking in veel delen van de wereld op een veel effectievere wijze kunnen bereiken.

Het idee om een 'Verklaring van de Religies over een Mondiale Ethiek' op te stellen, werd geopperd door de Raad van de Wereldgodsdiensten in Chicago, als onderdeel van de viering van het eeuwfeest van de eerste bijeenkomst van deze Raad in Chicago in 1893. Dit belangrijke initiatief vormt een gewichtige eerste aanzet van 'gedelegeerden' van de wereldgodsdiensten voor het opstellen van een document dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op bepaalde punten kan aanvullen. Maar waar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zich heeft gedistantieerd van religie, is deze nieuwe Verklaring er juist op gebaseerd.

Prof. dr. Hans KŁng, een van de meest vooraanstaande hedendaagse geleerden op het gebied van godsdienst, met wie ik de eer heb gehad samen te werken tijdens de dialoog tussen christenen en moslims in zowel TŁbingen als Pakistan, kreeg de taak om een voorlopige versie op te stellen van deze nieuwe Verklaring. Professor KŁng schreef over deze opdracht:

'Ik vond dit een uiterst moeilijke taak. Nadat ik me in het zomersemester van 1992 tijdens een interdisciplinair colloquium met deelnemers van verschillende religies en uit verschillende continenten met de problemen van een dergelijke verklaring had beziggehouden, kon ik echter een voorlopige versie opstellen, die ik aan een aantal vrienden en collega's opstuurde voor op- en aanmerkingen. Deze versie werd in grote lijnen gesteund door iedereen die hem had ontvangen. Tevens werden tientallen formele en inhoudelijke suggesties voor verbetering gedaan, die ik zo zorgvuldig mogelijk heb verwerkt in een tweede versie. Hierdoor heeft de tekst gewonnen aan nauwkeurigheid.'

De 'Verklaring over een Mondiale Ethiek' van professor KŁng 'werd getekend door de meeste van de bijna tweehonderd "gedelegeerden" die in september 1993 deelnamen aan de Raad van de Wereldgodsdiensten'. Het is van belang om hier op te merken dat in januari 1993, tijdens de jaarvergadering van de Trialoog tussen Joden, Christenen en Moslims in Graz, Oostenrijk, door prof. dr. Leonard Swidler een document met de titel 'Universele Verklaring aangaande een Mondiale Ethiek' was gepresenteerd. Ik heb het voorrecht gehad om sinds 1979 samen te werken met prof. Swidler, de initiatiefnemer van de Trialoog of Interreligieuze Dialoog tussen Joden, Christenen en Moslims in de Verenigde Staten, en heb ook deelgenomen aan de discussies in Graz. Helaas was ik door ziekte verhinderd om de discussies over mondiale ethiek onder voorzitterschap van prof. KŁng in Chicago bij te wonen.

Ik heb groot respect voor prof. KŁng en prof. Swidler en weet dat hun pogingen om wereldwijd geaccepteerde ethische richtlijnen op te stellen voor een wereld die wordt geconfronteerd met ernstige morele, politieke, economische en ecologische problemen, voortkomen uit hun grote toewijding aan de waarheid en rechtvaardigheid, niet alleen in de wetenschap, maar ook in hun persoonlijk leven. Ik ben me er ook van bewust dat zowel prof. KŁng als prof. Swidler hebben getracht hun verklaringen zo 'representatief' mogelijk te maken voor een mondiale consensus over ethische principes, en dat zij hiertoe - binnen de beperkte tijd die hen ter beschikking stond - met veel verschillende personen hebben overlegd, onder wie wetenschappers uit de belangrijkste godsdienstige tradities. Bovendien hebben beide professoren hun verklaringen gepresenteerd als 'een voorlopige versie',7 'niet als een eind maar als een begin'.8 In het voorwoord voor A Global Ethics, dat is geredigeerd door prof. KŁng en prof. Swidler, spreken zij de hoop uit dat

'dit document een proces op gang zal zetten waardoor mannen en vrouwen van alle godsdiensten hun gedrag zullen veranderen en er meer begrip, respect en samenwerking zullen ontstaan. Als alles goed gaat, zullen er in de niet al te verre toekomst andere verklaringen zijn opgesteld die de mondiale ethiek van de religies nauwkeuriger en concreter formuleren en er nieuwe voorbeelden aan toevoegen. Wellicht zal er zelfs een dag komen dat er een Verklaring over Mondiale Ethiek van de Verenigde Naties is opgesteld. Deze kan dan als morele ondersteuning dienen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die zo dikwijls wordt genegeerd en grof met voeten wordt getreden..'

Hoewel ik waardering heb voor de goede bedoelingen en het vertrouwen in de toekomst van mijn geachte collega's prof. KŁng, prof. Swidler en ook prof. Kuschel, moet het me als moslim en als voorvechtster van de mensenrechten van het hart dat ik problemen heb met zowel het concept als de methodologie van wat meestal de 'nieuwe mondiale ethiek' wordt genoemd - een term die ik problematisch vind en die bij mij twee belangrijke vragen oproept: wat is er nieuw aan deze ethiek, en in welke zin is deze ethiek mondiaal?

Hoewel de twee mij bekende versies van een Verklaring over (of aangaande) een Mondiale Ethiek pretenderen dat zij zijn gebaseerd op de ethische principes van de meeste - en met name de grote - wereldgodsdiensten, lijkt het mij dat de daaraan ten grondslag liggende vooronderstellingen a priori zijn. Deze vormen niet de neerslag van een interne dialoog binnen de diverse godsdiensten over hun belangrijkste ethische vraagstukken en principes, die zich vervolgens heeft verbreed tot een dialoog met andere godsdiensten over dezelfde onderwerpen. Integendeel, ze zijn gebaseerd op het westerse gedachtegoed uit de tijd na de Verlichting, dat in religieus en cultureel opzicht grotendeels christelijk is. In deze context vind ik de volgende opmerkingen van prof. John Hick, een andere gewaardeerde deelnemer aan de dialoog, uiterst relevant:

'Het is moeilijk om een specifiek christelijk commentaar te geven op Leonard Swidlers ontwerp; de ideeŽn die eruit spreken, zijn namelijk al in hoge mate christelijk. Sinds de Europese 'Verlichting' in de 18de eeuw is het westerse christendom namelijk doordrongen geraakt van de individualistische, democratische, liberale, op historie en wetenschap georiŽnteerde visie, die kan worden samengevat in de term 'ethos van moderniteit'. Het christendom als culturele invloed staat voor vele christenen ongetwijfeld gelijk aan deze liberale ideeŽn over moderniteit, met name wanneer zij het christendom vergelijken met andere godsdiensten. Vanuit historisch oogpunt is dit paradoxaal. De seculiere moderniteit heeft in de visie van velen namelijk de christelijke wereld getransformeerd, in plaats van dat het christendom vanuit zijn eigen specifiek godsdienstige achtergronden deze moderne liberale waarden in de westerse cultuur heeft geÔntroduceerd. Het is een feit dat het christendom gedurende het grootste deel van de geschiedenis noch democratisch, noch liberaal, wetenschappelijk en historisch georiŽnteerd of individualistisch in de moderne zin van het woord is geweest. Wanneer ik dus beweer dat Leonard Swidler een christelijk ontwerp heeft geschreven, bedoel ik slechts dat het voortkomt uit het hedendaagse westerse christendom en de geest ademt van de cultuur van na de Verlichting. Voor iedereen die het document leest, is deze herkomst gemakkelijk te herkennen, doordat de vraagstukken en vooronderstellingen van de moderne westerse wereld eruit spreken.'

real audio file De versies zijn opgesteld door westerse christelijke geleerden en het feit dat er commentaar van niet-westerlingen en niet-christenen in is verwerkt, verandert er niets aan dat ze het ethos van de wereldreligies niet weerspiegelen. De selectieve verwijzing naar citaten uit verschillende heilige teksten die de vooronderstellingen van deze documenten ondersteunen, is niet voldoende om te kunnen claimen dat deze vooronderstellingen een consensus van de wereldgodsdiensten over ethische principes uitdrukken. We kennen het gezegde 'de duivel kan uit de Schrift citeren voor zijn eigen doeleinden'. Wanneer we iets proberen te bewijzen dat we als vanzelfsprekende waarheid aannemen, kunnen wij allemaal (net zo min als de duivel) moeilijk weerstand bieden aan de verleiding om fragmenten buiten hun context te citeren of ze in een beperkte context te beschouwen. Om in de taal van de computerwetenschappen te spreken: als we ons concentreren op doeleinden in plaats van data hebben we de neiging de complexiteit van het grote geheel over het hoofd te zien en genoegen te nemen met eenvoudige antwoorden op ingewikkelde vragen. In dit verband heeft prof. Hick een belangwekkend commentaar geschreven op de versie van prof. Swidler:

'De voorlopige versie van prof. Swidler (en ook de in grote lijnen vergelijkbare versie van Hans KŁng) dient niet het enige officiŽle ontwerp te zijn waarop de rest van de wereld commentaar kan leveren en toevoegingen voorstellen. Het is van bijzonder groot belang dat er zo vroeg mogelijk in dit proces andere onafhankelijke voorstellen worden ingediend vanuit de culturen van China, Afrika, Rusland, India, de islamitische wereld, de boeddhistische wereld en de andere belangrijke wereldbeschouwingen. Pas na vergelijking van deze wellicht aanzienlijk verschillende versies zullen we verder kunnen gaan met het opstellen van een echte mondiale Verklaring. Daarom moeten niet alleen intensieve discussies worden georganiseerd over onze westerse versie, maar is het minstens zo belangrijk om op te roepen tot voorlopige versies vanuit AziŽ, Afrika, het Pacifisch Gebied en andere delen van de wereld.
In dit eerste stadium van het zoeken naar een mondiale ethiek zouden we niet moeten proberen om volken met andere culturen onze westerse versie te laten becommentariren, waarbij ze de keuze krijgen het al dan niet eens te zijn met het document dat ter tafel ligt. In plaats daarvan zouden we moeten zeggen: 'Een dergelijk concept hebben we vanuit onze geÔndustrialiseerde westerse cultuur opgesteld. Welke concepten zou u, en u, en u, vanuit uw cultuur opstellen?' In de volgende fase zouden we de diverse concepten naast elkaar moeten leggen en zien waar de vergelijking van deze versies toe leidt.'

Ik denk dat geen van deze opmerkingen in strijd is met de ideeŽn van Leonard Swidler. Ik wil echter vooral de nadruk leggen op de noodzaak om zo snel mogelijk zover te komen dat er niet ťťn, maar vele versies ter tafel liggen. Zolang we alleen een moderne westerse versie hebben, lopen we het gevaar dat het hele project kan worden afgedaan als een voorbeeld van westers cultureel imperialisme. Dat is nooit de bedoeling geweest. We kunnen dit gevaar afwenden door alle mogelijke moeite te doen om vertegenwoordigers van andere grote culturen aan te moedigen vanuit hun eigen onafhankelijke gezichtspunten deel te nemen aan de discussie.

De tegenwerping dat onderzoek naar een mondiale ethiek is voortgekomen uit het westen acht ik niet legitiem: het moest tenslotte ergens ontstaan! En in het westen zijn vermoedelijk meer praktische mogelijkheden dan in andere delen van de wereld om dit proces te starten en te propageren. Maar als het onderzoek gecentreerd zou blijven rond onze westerse bijdrage, zou dit wťl een goede reden voor legitieme kritiek zijn. Momenteel staan we voor de uitdaging om manieren te vinden om in alle grote tradities van de wereld de discussie op basis van gelijkwaardigheid te openen.

Na deze verhandeling over mijn filosofische bezwaren tegen de wijze waarop het concept 'mondiale ethiek' de afgelopen jaren in het westen is ontwikkeld en vorm heeft gekregen, zal ik overgaan tot het onderwerp 'een nieuwe mondiale ethiek vanuit religieus islamitisch perspectief'. Het ethos van de islamitische wereld verschilt aanzienlijk van dat van het westen, dat is gefundeerd op de Grieks-Romeinse beschaving en waarin de Rede over het algemeen wordt beschouwd als gelijkwaardig, zo niet superieur, aan de Openbaring. Voor verreweg de meeste moslims is de Openbaring echter de hoogste bron van kennis. De Openbaring stelt niet alleen normen voor de islamitische wereld als geheel, maar ook voor individuele moslims, zowel in hun openbare als in hun privť-leven, en zowel wat betreft de stoffelijke wereld als de innerlijke en transcendente realiteit.

Hoewel de islam een van de drie 'Abrahamische' godsdiensten is en door veel joden en christenen als een profetische religie wordt beschouwd, vinden veel - zo niet de meeste - westerlingen de islam de moeilijkst te begrijpen en te accepteren godsdienst van de wereld - een houding die evenzeer geldt ten opzichte van moslims. In het kader van dit paper is het onmogelijk om de historische, politieke, sociaal-culturele en theologische factoren te behandelen die de oorzaak zijn van deze brede kloof, en het veel niet-islamitische westerlingen moeilijk maken om de islam en moslims te begrijpen. Ik vind het echter belangrijk om op te merken dat ik het als moslim erg moeilijk vind om de prachtige principes met betrekking tot rechtvaardigheid en gelijkheid voor alle volken, zoals die zijn vastgelegd in de Verklaring over Mondiale Ethiek, als waarachtig en doeltreffend te aanvaarden, zeker wanneer ik zie hoe gewelddadig islamitische mannen en vrouwen in een groot deel van de westerse wereld worden behandeld.

Het stemt me treurig wanneer ik lees: 'Wellicht zal er zelfs een dag komen dat er een Verklaring over Mondiale Ethiek van de Verenigde Naties is opgesteld. Deze kan dan als morele ondersteuning dienen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die zo dikwijls wordt genegeerd en grof met voeten wordt getreden.' De Verklaring van de Rechten van de Mens is niet gebaseerd op de realiteit of de levenswijze van de meerderheid van de wereldbevolking. Dit is een van de belangrijkste redenen waarom ze wordt genegeerd. Ik heb weinig aan deze Verklaring als ik op mijn reizen door de islamitische wereld praat met de doorsnee islamitische vrouw, op wie drie kenmerken van toepassing zijn: ze is arm, ze is analfabeet en ze woont in een dorp. Dit geldt voor het overgrote deel van de meer dan 500 miljoen islamitische vrouwen. Wanneer ik - iemand die zich inzet voor de emancipatie van vrouwen - een van deze vrouwen ergens tussen Ankara en Jakarta zou proberen te bereiken, hoe zou ik dat dan aanpakken? Zou ik tegen haar kunnen zeggen: 'Ik kom u in naam van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) bevrijding en emancipatie brengen?' Zij zou niet begrijpen waar ik het over heb. Maar als ik zou zeggen: 'U gelooft in God en u weet dat God rechtvaardig is. Daarom kan het niet de wil van God zijn dat u in onmenselijke omstandigheden leeft en wordt vernederd en onderdrukt,' zal ze dit onmiddellijk begrijpen, omdat haar religieuze opvattingen de basis van haar leven vormen. Haar ogen beginnen te glanzen als ze beseft dat ze niet machteloos is... dat de bron van emancipatie in haarzelf ligt, aangezien God, de schepper en behoeder van alles, een rechtvaardige en genadige God is die geen enkele vorm van onrechtvaardigheid door de vingers ziet.

Er bestaat geen twijfel over dat alleen al het bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens een buitengewoon grote prestatie is van de mensheid als geheel, en dat dit evenzeer zou gelden voor een mogelijke aanvullende Verklaring over Mondiale Ethiek. Maar verklaringen alleen zijn niet voldoende om morele of sociale veranderingen in de maatschappij of individuen teweeg te brengen. Zelfs in het westen is de geldigheid van de Griekse opvatting dat kennis een deugd is - dat kennis van wat goed is noodzakelijkerwijs leidt tot rechtschapen gedrag - onder vuur genomen door David Hume en de moderne psychologie. De Koran zegt ons dat de omstandigheden van mensen alleen veranderen wanneer zij zichzelf veranderen. Als de supermachten die hebben meegewerkt aan de opstelling van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens het niet bij woorden alleen hadden gelaten, maar hadden afgezien van het schenden van mensenrechten in hun eigen land en geen autocratische regimes hadden gesteund die de mensenrechten overtraden, had de wereld er nu heel anders uitgezien. Naar mijn mening zullen de opstellers van een Verklaring over Mondiale Ethiek moeten onderkennen dat iedere vorm van ethiek voortkomt uit de mens zelf, en dat het dikwijls veel gemakkelijker is om algemene verklaringen op te stellen over abstracte ethische principes dan om op eerlijke wijze om te gaan met de specificiteit en complexiteit van het leven en het geloof van 'anderen', vooral wanneer die anderen worden gezien als 'tegenstanders' of 'vreemdelingen'.

"
...een betere wereld zal niet ontstaan op basis van uitsluitend internationaal recht, zo lang een dergelijk recht berust op de onbeperkte soevereiniteit van staten en meer is gericht op de rechten van staten dan op die van volken en individuen. Als een wet, een wapenstilstand of een verdrag niet steunt op morele overtuigingen en morele bedoelingen, zijn partijen, zoals in BosniŽ, zelfs niet bereid om te aanvaarden dat in Europa alleen vreedzame, en door onderhandelingen tot stand gekomen territoriale wijzigingen acceptabel zijn

"
Hans KŁng


Net zoals het grootste verzet tegen de westerse opvatting van mensenrechten uit de islamitische wereld afkomstig is, zo zal de grootste weerstand tegen de nieuwe westerse opvatting van een mondiale ethiek vermoedelijk ook weer van moslims komen. Laat ik voor dit moment voorbijgaan aan de politieke en psychologische factoren die ten grondslag liggen aan deze weerstand en me concentreren op de belangrijkste religieuze reden waarom veel moslims moeite hebben met een 'nieuwe mondiale ethiek' zoals die in dit forum wordt besproken. Ten eerste is de Koran, die in de zevende eeuw aan de Profeet Mohammed werd geopenbaard, voor verreweg de meeste moslims de bron van wat zij beschouwen als de normatieve islam of islamitische ethiek. Dit houdt in dat er voor hen niets 'nieuws' is aan de ethiek die in hun leven van belang is. Ten tweede kan de ethische grondslag van de Koran worden beschouwd als een stelsel van 'fundamentele mensenrechten' of 'principes van mondiale ethiek' voor moslims. En dat betekent dat zij er geen behoefte aan hebben een 'nieuwe mondiale ethiek' op te stellen.

Gezien de wijdverbreide stereotypering van moslims als fanatiek en irrationeel of als achtergebleven tegenstanders van moderniteit, bestaat het gevaar dat mijn woorden verkeerd worden geÔnterpreteerd en in het kader worden geplaatst van wat in het westen ten onrechte 'islamitisch fundamentalisme' wordt genoemd. Hoewel ik, net zoals de overweldigende meerderheid van de moslims, geloof dat de Koran het Woord van God is - en dus verreweg de voornaamste primaire bron van de normatieve islam - geloof ik eveneens dat de Koran de Magna Carta van de mensenrechten is. Een van de belangrijkste zaken waar de Koran zich mee bezig houdt, is naar mijn mening de bevrijding van de mensheid van de ketenen van traditionalisme, autoritaire systemen (of deze nu religieus, politiek, economisch of anderszins zijn), tribalisme, racisme, seksisme, slavernij en alles wat de mens verbiedt of weerhoudt om de visie van de Koran op de bestemming van de mens te verwezenlijken. Dit wordt samengevat in de klassieke uitspraak: 'En dat alles uiteindelijk tot uw Heer komt.'

"
De islam blijft ongemoeid, terwijl je uit oogpunt van mensenrechten en verlichting nu juist alle pogingen tot invoering van de middeleeuwse Sharia (middeleeuws islamitisch recht) zou moeten tegengaan

"
Jean-Pierre Guťpin
 
 
 
 
 
 
 
 


Ik heb me mijn hele leven sterk aangetrokken gevoeld tot wat ik beschouw als een waarachtige dialoog volgens de BŁberiaanse 'Ik-Gij'-methode, en heb bijna twintig jaar intensief deelgenomen aan een groot aantal dialogen met mannen en vrouwen van verschillende godsdiensten, ideologieŽn, culturen en rassen. Het is mijn oprechte hoop dat zij, die zich in het westen wijden aan het ontwikkelen van een mondiale ethiek, een serieuze poging zullen doen de islam en andere godsdiensten niet van buitenaf, maar van binnenuit te begrijpen. Ik hoop daar in de context van mijn godsdienst een bijdrage aan te leveren door mijn interpretatie van wat ik als de ethische basis van de Koran beschouw - dat wil zeggen de rechten en plichten die in de Koran worden benadrukt.

Hieronder zal ik een samenvatting geven van de in de Koran vastgelegde grondrechten, die alle mensen zouden moeten hebben omdat ze zo diep zijn geworteld in ons gemeenschappelijke menszijn, dat de ontkenning of schending ervan in feite neerkomt op de ontkenning en aantasting van alles wat ons menselijk maakt. Volgens de Koran ontstonden deze rechten op het moment dat de mens werd geschapen; evenals wijzelf zijn ze door God geschapen opdat we ons potentieel als menselijke wezens kunnen realiseren. Rechten die door God zijn geschapen of gegeven, kunnen door geen enkele tijdelijke heerser of organisatie worden afgeschaft. Ze zijn eeuwig en onveranderlijk; ze dienen te worden verwezenlijkt, aangezien alles wat God doet voor een 'rechtvaardig doel' is.

A. RECHT OP LEVEN

De Koran onderschrijft de onschendbaarheid en absolute waarde van het menselijk leven en wijst erop dat het leven van ieder afzonderlijk mens in essentie vergelijkbaar is met dat van de gemeenschap als geheel, en daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden behandeld.

B. RECHT OP RESPECT

Volgens de Koran zijn alle mensen het waard om te worden gerespecteerd omdat zij de enige schepselen zijn die ervoor hebben gekozen de 'trouwverplichting' van de vrije wil op zich te nemen. De mens heeft een vrije wil omdat hij de gave van rationaliteit bezit, die hem onderscheidt van alle andere wezens. Hoewel de mens 'de laagste der lagen' kan worden, verklaart de Koran dat hij 'in schoonste evenredigheid' is geschapen: hij bezit het vermogen om na te denken, kennis te hebben van goed en kwaad, goed te doen en het kwaad te vermijden. Vanwege de belofte die in ieder mens ligt besloten - namelijk het potentieel om Gods plaatsbekleder op aarde te zijn - dient het menszijn van alle mensen te worden gerespecteerd en te worden beschouwd als een doel op zichzelf.

"
Ieder mens heeft recht op respect omdat een leven zonder respect zinloos is. Een samenleving die het zelfrespect van de mensen schaadt is dus per definitie onrechtvaardig en onbeschaafd

"
Anil Ramdas  
 
 
 


C. RECHT OP GERECHTIGHEID

De Koran legt grote nadruk op het recht om gerechtigheid te zoeken en de plicht om rechtvaardig te zijn. In dit verband noemt de Koran twee begrippen, adl en ihsan. Beide zijn dwingend opgelegd en houden verband met het concept 'evenwicht', maar ze hebben een verschillende betekenis.

Adl wordt door A.A.A. Fyzee, een bekende islamitische godsdienstwetenschapper, gedefinieerd als 'gelijk zijn, meer noch minder'. Fyzee legt dit concept als volgt uit: '...in een gerechtshof moeten de eisen van beide partijen onpartijdig worden beoordeeld, zonder dat er overmatige druk op een van beide zijden wordt uitgeoefend. Het evenwicht wordt uitgedrukt in de vorm van een weegschaal met twee schalen die elkaar in balans houden.' Adl is in gelijksoortige termen beschreven door Abu'l Kalam Azad, een beroemde vertaler van de Koran en een bekend schrijver. Hij verklaart: 'Wat is gerechtigheid anders dan het vermijden van uitersten? Er dient noch te veel, noch te weinig te zijn; vandaar dat de weegschaal het symbool van rechtvaardigheid is.' Om te voorkomen dat iemand tracht te veel of te weinig te doen, wijst de Koran erop dat geen enkel mens andermans lasten kan dragen of iets kan verkrijgen zonder er moeite voor te doen.

De Koran erkent dat individuele verdiensten deel uitmaken van adl en leert dat verdiensten niet worden bepaald door afkomst, sekse, rijkdom en wereldlijk of godsdienstig succes, maar door rechtschapenheid, die bestaat uit het juiste 'geloof' (iman) en het juiste 'handelen' ('amal). Bovendien maakt de Koran onderscheid tussen passieve gelovigen en hen die zich inzetten voor de zaak van God. De Koran wijst erop dat, hoewel God alle gelovigen het goede belooft, de laatsten boven de eersten zullen worden gesteld.

Zoals het principe dat bijzondere verdiensten zijn verbonden aan beloningen in de geest van adl is, zo zijn er ook bepaalde omstandigheden die zijn verbonden aan straf. Voor misdaden tegen de zedelijkheid kent de Koran bijvoorbeeld gelijke straffen voor zowel mannen als vrouwen die schuldig zijn bevonden. De Koran maakt echter wel onderscheid tussen verschillende categorieŽn vrouwen: een slavin ontvangt de helft, de echtgenote van de Profeet het dubbele van de straf die aan een 'vrije' islamitische vrouw wordt gegeven. Door een dergelijk onderscheid te maken, drukt de Koran Gods mededogen uit met sociaal achtergestelde slavinnen en handhaaft God tegelijkertijd hoge morele normen, met name in het geval van de vrouwen van de Profeet, wier daden normatieve betekenis hebben voor de gemeenschap.

Zonder iets af te doen aan de blijvende geldigheid van adl gaat de Koran met ihsan verder dan dit concept. Ihsan betekent letterlijk 'het herstellen van het evenwicht door een verlies of tekort te compenseren'. Om dit concept te kunnen begrijpen, dient men te weten wat de ideale maatschappij of gemeenschap (ummah) was die de Koran voor ogen stond. Het woord ummah is afgeleid van de stam umm of 'moeder'. De symbolen van een moeder en moederlijke liefde en barmhartigheid zijn ook verbonden met de twee meest kenmerkende eigenschappen van God, namelijk Rahim en Rahman, die beide zijn ontleend aan de stam rahm, die 'baarmoeder' betekent. De ideale ummah zorgt voor al haar leden, net zoals een ideale moeder voor al haar kinderen zorgt, wetend dat ze niet gelijk zijn en dat elk van hen andere behoeften heeft. Hoewel het onrechtvaardig zou zijn als een moeder een bepaald kind voortrekt, handelt zij niet onrechtvaardig wanneer zij een 'gehandicapt' kind meer geeft dan haar andere kind of kinderen; in dat geval handelt zij in de geest van ihsan door te trachten het gebrek te compenseren van het kind dat extra hulp nodig heeft om te kunnen voldoen aan de eisen die het leven stelt. Ihsan toont dus Gods mededogen voor de achtergestelden in de samenleving, zoals vrouwen, wezen, slaven, armen, gehandicapten en minderheden.

D. RECHT OP VRIJHEID

Zoals al eerder is gezegd, hecht de Koran er grote waarde aan dat de mens van alle ketenen wordt bevrijd. Hoewel de Koran erkent dat de mens neigt naar dictatorschap en despotisme, wordt er in soera 3: Al-'Imran: 79 duidelijk en nadrukkelijk gesteld:

'Het betaamt een mens niet, als Allah hem het Boek en de macht en het profeetschap geeft, dat hij dan tot de mensen zou zeggen: "Weest mijn dienaren buiten Allah"; maar (veeleer): "Weest aanbidders van de Heer, daar gij het Boek onderwijst en zelf bestudeert." '

Het verschijnsel slavernij is natuurlijk bijzonder belangrijk in de context van de menselijke vrijheid. In de tijd dat de islam ontstond, was slavernij in ArabiŽ wijdverbreid en was de Arabische economie erop gebaseerd. De Koran benadrukt niet alleen dat slaven rechtvaardig en menselijk moeten worden behandeld, maar roept ook regelmatig op tot de bevrijding van slaven. Door in soera 47: Muhammad: 4 te stellen dat krijgsgevangenen vrijgelaten moeten worden, 'ofwel door begenadiging, ofwel door loskoping', schafte de Koran de slavernij in feite grotendeels af, aangezien 'de meeste slaven - mannen en vrouwen - krijgsgevangenen waren'. De Koran zegt niet expliciet dat slavernij moet worden afgeschaft, maar daaruit volgt niet dat deze mag blijven bestaan; uit talloze passages blijkt dat de Koran ernaar streeft dit absolute kwaad te elimineren. Een Boek dat een koning of een profeet niet het recht geeft om absolute gehoorzaamheid te eisen van een ander mens, kan slavernij - in welke vorm dan ook - onmogelijk sanctioneren.

De belangrijkste garantie voor persoonlijke vrijheid is voor een moslim gelegen in het voorschrift uit de Koran dat slechts God de vrijheid van de mens kan beperken en in de verklaring dat 'de beslissing (over wat goed en wat slecht is) alleen bij God berust'. Zoals de eminente Pakistaanse jurist Khalid M. Ishaque opmerkt:

'De Koran verleent verantwoorde afwijkende meningen de status van een grondrecht. Bij het uitoefenen van hun macht kunnen daarom noch de wetgevende, noch de uitvoerende macht onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eisen... Ook al was de Profeet de ontvanger van de goddelijke openbaring, toch moest ook hij in zaken van algemeen belang de gemeenschap van moslims raadplegen. Allah zegt tegen de Profeet: '... en overleg met hen over alle zaken. En... als ge een besluit hebt genomen, stel dan uw vertrouwen in Allah.'

Aangezien het principe van wederzijdse raadpleging (shura) verplicht is opgelegd, is het voor een moslim zowel een grondrecht als een verantwoordelijkheid om aan zoveel mogelijk activiteiten van de gemeenschap deel te nemen. De uitspraak in soera 2: Al-Baqarah: 256 'Er is geen dwang in godsdienst' garandeert vrijheid van godsdienst en eredienst. Dit betekent dat volgens de Koran niet-moslims die in islamitische gebieden wonen het recht moeten hebben om onbevreesd en zonder lastig te worden gevallen hun eigen geloofstradities te volgen. Uit een aantal passages in de Koran blijkt duidelijk dat de Profeet Mohammed de verantwoordelijkheid heeft om de boodschap van God te verkondigen, en niet om iemand te dwingen tot geloof. Het recht op vrije keuze in geloofszaken wordt door de Koran onomwonden bevestigd. Bovendien staat er in soera 2: Al-Baqarah: 62 duidelijk geschreven dat God niet over de mens zal oordelen op basis van de godsdienst die hij aanhangt, maar op basis van zijn geloof en juist gedrag:

'Voorzeker, de gelovigen, de Joden, de Christenen en de Sabianen - wie onder hen ook in de laatste Dag geloven en goede daden verrichten, zullen hun beloning bij hun Heer ontvangen en er zal geen vrees over hen komen, noch zullen zij treuren.'

De Koran erkent het recht op godsdienstvrijheid niet alleen voor andere religies waarvan de aanhangers in God geloven, maar ook voor hen die niet in God geloven (tenzij zij zich vijandig opstellen tegenover moslims). In het kader van het grondrecht op godsdienstvrijheid is het van belang te vermelden dat het voorschrift uit de Koran 'Er is geen dwang in godsdienst' niet alleen betrekking heeft op niet-moslims, maar ook op moslims. Hoewel voormalige gelovigen, die de islam hadden afgezworen en zich vervolgens schuldig maakten aan 'daden van oorlog' tegen moslims, als vijanden en agressors moeten worden behandeld, stelt de Koran geen sancties op het niet geloven in God of het afzweren van het geloof. De beslissing over het uiteindelijke lot van een mens in het hiernamaals ligt bij God. Het recht op vrijheid houdt ook het recht in om openlijk de waarheid te verkondigen. Het woord dat de Koran gebruikt voor 'waarheid' is Haqq, dat ook een van de belangrijkste kenmerken van God is. Het verdedigen van de waarheid is een recht en een verantwoordelijkheid waar geen enkele moslim afstand van mag doen, zelfs niet als hij met de grootst mogelijke gevaren of moeilijkheden wordt geconfronteerd. De Koran beveelt gelovigen niet alleen om de waarheid te verkondigen, maar gebiedt ook de samenleving om personen die dit doen geen schade te berokkenen.

E. RECHT OP HET VERGAREN VAN KENNIS

De Koran legt bijzonder grote nadruk op het belang van het vergaren van kennis. Het feit dat kennis vanaf het allereerste begin een centraal aspect vormde van het islamitische wereldbeeld blijkt uit soera 96: Al'Alaq: 1-5, waarvan moslims geloven dat het de eerste openbaring was die de Profeet Mohammed ontving.

Na de retorische vraag of zij die geen kennis bezitten gelijkwaardig kunnen zijn aan hen die wel kennis hebben roept de Koran de gelovigen op te bidden voor de bevordering van kennis. Het beroemde gebed van de Profeet Mohammed luidde: 'O mijn Heer, doe mij toenemen in kennis,' en een van de bekendste tradities (ahadith) luidt: 'Zoek kennis, ook al is het in China.'

In het perspectief van de Koran is kennis een absolute voorwaarde voor het scheppen van een rechtvaardige wereld waarin echte vrede kan bestaan. De Koran benadrukt het belang van het vergaren van kennis, zelfs ten tijde van of te midden van oorlog.

F. RECHT OP VOEDSEL

Zoals wordt uitgelegd in soera 11: Hud: 6 is ieder levend wezen voor zijn voedsel afhankelijk van God. Een van de belangrijkste concepten in de Koran - dat ten grondslag ligt aan het sociaal-economische en politieke stelsel van de islam - is dat het eigendom van alles wat op aarde bestaat niet berust bij de mens, maar bij God. Aangezien God de wereld heeft geschapen, heeft ieder schepsel het recht om deel te hebben aan wat God toebehoort. Dit houdt in dat ieder mens recht heeft op de noodzakelijke levensbehoeften en dat zij, die economische of politieke macht bezitten, niet het recht hebben anderen deze basisbehoeften te ontzeggen door zich de bestaansmiddelen, die God ten bate van de hele mensheid heeft geschapen, wederrechtelijk toe te eigenen of deze te misbruiken.

G. RECHT OP ARBEID

Volgens de Koran heeft iedere man en vrouw het recht op arbeid, of deze nu bestaat uit betaald werk of uit vrijwillige dienstverlening. De vruchten van de arbeid behoren toe aan hen die ervoor hebben gewerkt. Dit geldt zowel voor mannen als vrouwen; zoals soera 4: An-Nisa': 32 verklaart:
'Mannen zullen een aandeel hebben in hetgeen zij hebben verdiend en vrouwen zullen een aandeel hebben in hetgeen zij hebben verdiend.'

H. RECHT OP PRIVACY

De Koran erkent de behoefte aan privacy als een grondrecht en geeft regels voor de bescherming van het individu in de eigen woning tegen onrechtmatige inbreuk, zowel van binnenuit als van buitenaf.

I. RECHT VAN BESCHERMING TEGEN KWAADSPREKERIJ, LASTER EN RIDICULISERING

De Koran erkent het recht van de mens om te worden beschermd tegen smaad, sarcasme, beledigende bijnamen en laster, en verklaart tevens dat niemand mag worden belasterd op grond van vermoedens van schuld; wie zich schuldig maakt aan het verspreiden van laster zal zowel in deze wereld als in het hiernamaals streng worden gestraft.

J. RECHT OM HET EIGEN GEVOEL VOOR ESTHETIEK TE ONTWIKKELEN EN TE GENIETEN VAN DE DOOR GOD GESCHAPEN GAVEN

Muhammad Asad heeft opgemerkt: 'Door te verklaren dat alle goede en mooie dingen in het leven - dat wil zeggen die welke niet uitdrukkelijk verboden zijn - de gelovigen bij wet zijn toegestaan, veroordeelt de Koran impliciet alle vormen van ascetisme, wereldverzaking en zelfkastijding, die negatief staan tegenover het leven. In feite kan worden gesteld dat het recht om het eigen gevoel voor esthetiek te ontwikkelen, zodat schoonheid in al haar vormen kan worden gewaardeerd, en het recht om te genieten van wat God ten behoeve van de mens heeft geschapen, direct voortkomen uit de positieve levensvisie van de Koran.

K. RECHT OM HET VADERLAND TE VERLATEN ALS DAAR ONDERDRUKKING HEERST

Volgens de Koran moet een moslim in laatste instantie trouw zijn aan God en niet aan een bepaald grondgebied. Om zijn missie te kunnen volbrengen, besloot de Profeet Mohammed zijn geboorteplaats Mekka te verlaten en naar Medina te trekken. Deze gebeurtenis (Hijrah) is van grote historische en emotionele betekenis voor moslims die zich genoodzaakt voelen hun geboortegrond te verlaten omdat het een plaats van het kwaad en onderdrukking is geworden, waar zij hun verplichtingen tegenover God niet kunnen nakomen en geen rechtvaardige samenleving kunnen verwezenlijken.

L. RECHT OP 'EEN GOED LEVEN'

De Koran bevestigt niet alleen het recht van de mens op leven in het algemeen, maar ook op 'een goed leven'. Dit laatste omvat een groot aantal facetten en wordt mogelijk wanneer de mens in rechtvaardige omstandigheden leeft. Volgens de Koran is rechtvaardigheid een voorwaarde voor vrede, en vrede een voorwaarde voor menswaardige ontwikkeling. In een rechtvaardige samenleving kunnen alle bovengenoemde mensenrechten zonder problemen worden verwezenlijkt. In een dergelijke samenleving bestaan nog meer grondrechten, zoals het recht op een veilige woonplaats, het recht op bescherming van persoonlijke bezittingen, het recht op bescherming van schriftelijk vastgelegde overeenkomsten, het recht op bewegingsvrijheid, het recht op sociale en juridische autonomie voor minderheden, het recht op bescherming van heilige plaatsen en het recht om terug te keren naar zijn spirituele centrum.

Na deze verhandeling over de algemene ethische normen en principes die in de Koran vervat liggen, acht ik het noodzakelijk daaraan toe te voegen dat er in de gehele islamitische wereld een brede kloof gaapt tussen de idealen uit de Koran en de islamitische praktijk. Moslims hebben al honderden jaren te horen gekregen dat ze zijn geschapen om God te dienen door gehoorzaam te zijn aan hen die boven hen staan en geduldig te verdragen wat God voor ze heeft besloten. Honderden jaren lang heeft de grote massa van de moslims de bittere armoede en onderdrukking die hen was opgelegd door hun leiders zonder morren verdragen. Om te voorkomen dat ze onder de voet zouden worden gelopen door buitenlandse invallers, wier pogingen om hen te onderwerpen altijd op grote weerstand stuitten, werden de islamitische massa's in naam van God en de Profeet onderdrukt door mede-moslims. Er werd hen wijsgemaakt dat ze geen rechten hadden, alleen plichten; dat God een God van vergelding was in plaats van liefde; dat de islam een godsdienst van lijden was in plaats van een vreugdevol leven; dat hun leven werd bepaald door Qismat en dat ze hun lot niet in eigen handen hadden. De heroÔsche geest van islamitische denkers als Syed Ahmad Khan en Iqbal, die in de 19de eeuw in India werden geboren - en niet alleen het product waren van een pluralistische maatschappij, maar ook van een synthese tussen het Oosten en het westen - luidde een islamitische Renaissance in en bevrijdde veel moslims van politieke ketenen. Hun werk is echter niet voltooid; het traditionalisme waardoor de essentie van de islam is uitgehold, houdt een groot deel van de islamitische wereld nog steeds in zijn greep. De huidige ontwikkelingen in de islamitische wereld zijn van buitengewoon groot belang; we leven in een tijd van zowel revoluties als terugval, van zowel vooruitgang als achteruitgang, van zowel helder licht als diepe duisternis. Het is zeer belangrijk dat moslims hun standpunten over alle belangrijke vraagstukken opnieuw bezien, want we kunnen ons niet langer de luxe veroorloven om voor onze huidige ellende en tegenslagen troost te zoeken in een kritiekloos ophemelen van een geromantiseerd verleden. We zijn op een punt in de geschiedenis gekomen waar holle frasen ons niet meer kunnen redden van de realiteit en waar we verantwoording zullen moeten afleggen voor de discrepanties tussen de theorie en praktijk van islam.

Geen enkele discussie over mensenrechten en mondiale ethiek vanuit islamitisch perspectief is compleet zonder speciale aandacht voor de positie van de vrouw in islamitische samenlevingen en gemeenschappen. Islamitische mannen blijven erop hameren dat de islam vrouwen meer rechten heeft gegeven dan welke andere godsdienst dan ook. En inderdaad, als we met 'islam' de 'islam van de Koran' bedoelen, heeft de islam indrukwekkend veel rechten aan vrouwen verleend. Niet alleen zijn alle op de voorgaande bladzijden genoemde 'algemene rechten' ook van toepassing op vrouwen, er wordt in de Koran ook herhaaldelijk specifieke aandacht aan vrouwenrechten besteed. Veel Koranwetten over onderwerpen die op vrouwen betrekking hebben, zijn gebaseerd op de erkenning dat vrouwen in de geschiedenis zijn achtergesteld en dat hen recht moet worden gedaan door de islamitische ummah. Helaas zijn de cumulatieve vooroordelen uit joodse, christelijke, hellenistische, bedoeÔense en andere bronnen, die in de Arabisch-islamitische cultuur van de eerste eeuwen van de islam voorkwamen, in de islamitische traditie geslopen. Deze vooroordelen hebben de bedoeling van de Koran, om de vrouw te bevrijden van de status van slavin of inferieur wezen en haar vrij en gelijkwaardig aan de man te maken, ondermijnd.

Uit de geschiedenis van de islamitische cultuur blijkt dat vrouwen - alle leringen van de Koran ten spijt - in veel opzichten voortdurend het slachtoffer zijn geweest van allerlei vormen van onderdrukking, dikwijls uit naam van de islam. Hoewel de in de Koran verwoorde opvattingen vanwege hun beschermende houding ten opzichte van alle vertrapte en onderdrukte groeperingen dikwijls in het voordeel van vrouwen lijken uit te pakken, zijn in patriarchale islamitische samenlevingen veel teksten die betrekking hebben op vrouwen ten nadele in plaats van ten gunste van vrouwen gebruikt. Islamitische samenlevingen lijken zich over het algemeen veel meer zorgen te maken over het overheersen van het lichaam en de seksualiteit van vrouwen dan over hun mensenrechten. Als ze het over mensenrechten hebben, spreken veel moslims in het geheel niet over de vrouwenrechten, en als ze dat wel doen, lijken ze alleen belangstelling te hebben voor de bescherming van de kuisheid van vrouwen. (Ze maken zich blijkbaar geen zorgen over het beschermen van de kuisheid van mannen).

Vrouwen zijn het slachtoffer van de ernstigste schendingen van mensenrechten die in islamitische samenlevingen voorkomen. Moslims beweren trots dat de islam infanticide op meisjes heeft afgeschaft. Dat is waar, maar daar moet aan worden toegevoegd dat de moord op vrouwen door hun echtgenoot in een aantal islamitische landen, zoals Pakistan, een van de meest voorkomende misdaden is. Deze zogenaamde 'doodslag uit eer' is in feite bijzonder oneervol en wordt dikwijls gebruikt om andere misdaden te verhullen.

Meisjes zijn vanaf hun geboorte het slachtoffer van discriminatie; in islamitische landen wordt een zoon dikwijls beschouwd als een geschenk van God, een dochter als een straf van God. Daarom is de geboorte van een zoon aanleiding tot feest, terwijl de geboorte van een dochter medelijden of zelfs jammerklachten oproept. Veel meisjes worden op minderjarige leeftijd uitgehuwelijkt, hoewel het huwelijk in de islam als een contract wordt beschouwd. Daarbij wordt verondersteld dat beide partijen volwassenen zijn en uit vrije wil handelen. Ook al zijn veel Koranwetten bedoeld om de rechten van de vrouw binnen het huwelijk te beschermen, toch kunnen vrouwen zich niet beroepen op gelijkwaardigheid met hun man. De echtgenoot wordt in feite beschouwd als de poort naar de hemel of de hel voor de vrouw en als degene die beslist over haar uiteindelijke lot. Dat een dergelijk idee in de islam kan bestaan - terwijl de islam in theorie het concept van een middelaar tussen een gelovige en God verwerpt - is niet alleen bijzonder ironisch, maar ook diep-tragisch.

Hoewel het idee van wat we tegenwoordig 'schuldloze scheiding' noemen in de Koran is terug te vinden en de Koran geen enkel negatief oordeel velt over scheiding, is het in islamitische samenlevingen voor vrouwen bijzonder moeilijk om te scheiden, zowel in juridisch opzicht als vanwege sociale stigmatisering. Ook al wordt er in de Koran duidelijk gesteld dat de gescheiden ouders van een minderjarige in gemeenschappelijk overleg moeten beslissen hoe het kind zal worden opgevoed, en dat zij het kind niet mogen gebruiken om elkaar te kwetsen of uit te buiten, toch moeten gescheiden vrouwen in de meeste islamitische samenlevingen afstand doen van zowel hun zonen (meestal op zevenjarige leeftijd) als hun dochters (meestal op twaalfjarige leeftijd). Er is nauwelijks een grotere wreedheid denkbaar dan een moeder het recht te ontzeggen haar kinderen bij zich te hebben, alleen omdat ze is gescheiden. Hoewel polygamie door de Koran was bedoeld ter bescherming van weduwen en wezen, hebben moslims er in de praktijk een zwaard van Damocles van gemaakt, dat voor vrouwen een constante dreiging vormt. En hoewel de Koran vrouwen het recht geeft bezit te erven, niet alleen van een naaste verwant, maar ook in de vorm van legaten en schenkingen van een weldoener tijdens diens leven, wordt het idee om rijkdommen te schenken aan een vrouw in plaats van aan een man in islamitische samenlevingen streng afgekeurd, zelfs wanneer haar omstandigheden daar aanleiding toe geven. De Koranwetten met betrekking tot de kleding en het gedrag van vrouwen hadden oorspronkelijk de bedoeling om het voor vrouwen veiliger te maken hun dagelijkse bezigheden uit te oefenen (aangezien ze volgens soera 4: An-Nisa': 32 het recht hebben op betaalde arbeid) zonder dat ze bang hoefden zijn voor seksuele intimidatie of aanranding. Toch houden veel islamitische samenlevingen vrouwen verborgen achter sluiers en gesloten deuren, onder het voorwendsel hun deugdzaamheid te beschermen. Hierbij wordt vergeten dat het opsluiten in de woning volgens de Koran geen normale manier van leven is voor een kuise vrouw, maar juist een straf voor 'onkuisheid'.

Vrouwen en mannen, die als gelijken door God zijn geschapen en als gelijken voor het aangezicht van God staan, zijn in islamitische samenlevingen zeer ongelijk geworden. De omschrijving die de Koran geeft van de man en de vrouw in het huwelijk: 'Zij zijn een gewaad voor u en gij zijt haar een gewaad' (soera 2: Al-Baqarah: 187) impliceert nabijheid, gemeenschappelijkheid en gelijkheid. De islamitische cultuur heeft de meeste vrouwen echter gereduceerd tot marionetten, schepselen die weinig meer zijn dan slavinnen en wier enige functie in het leven is om tegemoet te komen aan de behoeften en het genot van mannen. Maar dat is niet alles, de islamitische cultuur heeft ook de brutaliteit en arrogantie gehad om vrouwen de directe toegang tot God te ontzeggen. Een van de belangrijkste geloofsopvattingen van de islam is dat iedereen - man en vrouw - verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar is op zijn of haar daden. Hoe kan de echtgenoot dan de poort naar de hemel of de hel zijn voor zijn vrouw? Hoe kan hij degene zijn die niet alleen beslist wat er in dit leven met haar gebeurt, maar die ook haar uiteindelijke lot bepaalt? Dergelijke vragen worden momenteel door een toenemend aantal islamitische vrouwen gesteld en zullen vermoedelijk een bedreiging gaan vormen voor de huidige machtsverhoudingen op het gebied van familierelaties in de islamitische wereld.

Ondanks alles wat er door de patriarchale islamitische cultuur in de loop der eeuwen fout is gegaan in het leven van ontelbare islamitische vrouwen, is er hoop voor de toekomst. In de hele islamitische wereld zijn er aanwijzingen dat een toenemend aantal moslims teleurgesteld raakt in het kapitalisme, het communisme en de westerse democratie, en serieus begint na te denken over de leer van de Koran. Met het verdiepen van deze belangstelling zal vermoedelijk het besef groeien dat God de mens als belangrijkste taak heeft opgelegd om Zijn vertegenwoordigers op aarde te zijn. De mens zal dan beseffen dat dit alleen kan worden bereikt door een rechtvaardige maatschappij op te bouwen - volgens de Koran een voorwaarde voor waarachtige vrede. Zonder de beŽindiging van de onrechtvaardigheid en ongelijkheid waarvan het persoonlijke en maatschappelijke leven van de mens is doortrokken, is het in de termen van de Koran onmogelijk om over vrede te spreken. In dit verband is het van belang op te merken dat er in de Koran meer wetten staan over het verwezenlijken van rechtvaardigheid in de context van familierelaties dan over welk ander onderwerp dan ook. Dit illustreert de vooronderstelling die in veel Koranteksten impliciet aanwezig is, namelijk dat wanneer mensen kunnen leren hun familieleven rechtvaardig te bestieren, zodat de mensenrechten van allen die er deel van uitmaken - kinderen, vrouwen en mannen - zijn gegarandeerd, zij ook in staat zullen zijn om de samenleving en de wereld als geheel rechtvaardig te organiseren. Met andere woorden: de Koran beschouwt de familie als de microkosmos van de ummah en de wereldgemeenschap, en benadrukt het belang om de familie door rechtvaardig te leven tot een 'huis van vrede' te maken.

Tot slot wil ik iets zeggen over culturele verscheidenheid in relatie tot de islam en moslims. Doordat ik in het westen woon, ben ik me er maar al te zeer van bewust dat westerlingen in het algemeen - onder wie ook vele christenen en joden, die (evenals moslims) 'Volken van het Boek' zijn - de islam zien als een godsdienst die te vuur en te zwaard wordt verbreid, en dat moslims in hun ogen fanatici zijn die gedreven door godsdienstijver een 'heilige oorlog' willen voeren tegen niet-moslims, en zelfs tegen moslims die zich niet conformeren aan de meerderheidscultuur. Hoewel het buiten het kader van dit paper valt om de historische achtergronden van deze perceptie te behandelen, wil ik er graag op wijzen dat zowel de Koran als de Profeet grote waarde toekennen aan culturele verscheidenheid. Zo staat er in de Koran:
'O mensheid, weet dat Wij u hebben geschapen uit een man en een vrouw, en u in landen en stammen hebben gemaakt, opdat u elkaar kunt leren kennen. Waarlijk, de nobelste onder u in de ogen van God is hij die zich God het meest bewust is. Weet dat God alwetend en zich van alles bewust is.'

Deze passage zegt mij dat we ons niet alleen diep bewust moeten zijn van onze eenheid, maar ook van onze verscheidenheid; dat een van de belangrijkste doelen van verscheidenheid is om groepen en personen die van elkaar verschillen aan te moedigen 'elkaar te leren kennen', en dat de uiteindelijke waarde van een mens niet wordt bepaald door de groep waar hij of zij deel van uitmaakt, maar door de mate waarin hij of zij zich bewust is van God.

Een sprekende getuigenis van de grote waarde die de Profeet van de islam aan culturele diversiteit toekende, is te vinden in de Moskee van de Profeet in Medina, waarin de namen van zijn naaste metgezellen staan gegraveerd. Enkele opvallende namen zijn Bilal, de zwarte slaaf uit AbessiniŽ die de eerste muezzin van de islam werd, en Salman, die uit Iran afkomstig was. In de eerste driehonderd jaar van de islam, waarin moslims niet alleen een groot rijk opbouwden, maar ook een van de grootste beschavingen die de wereld ooit heeft gekend, waren ze trots op hun culturele verscheidenheid, op het feit dat er een Arabische islam bestond, een Iraanse islam, een Indiase islam, een Turkse islam, een Spaanse islam, enzovoort. Het is bijzonder betreurenswaardig dat veel moslims tegenwoordig schijnen te denken dat er maar ťťn 'juiste' islam bestaat (namelijk die van Saudi-ArabiŽ), waarin de universeel georiŽnteerde, positief tegenover het leven staande leer van de Koran op een zeer beperkte wijze wordt geÔnterpreteerd.

Veel moslims voelen zich in de hedendaagse wereld in de verdediging gedrongen door negatieve krachten - of deze nu in verband worden gebracht met westers politiek of cultureel imperialisme of met het onderdrukkende neokolonialisme waar een groot deel van de islamitische wereld onder zucht. In plaats van de realiteit van hun situatie positief en actief tegemoet te treden, trekken ze zich dikwijls terug in reactieve manieren van denken en handelen, waardoor ze vergeten dat de Koran grote nadruk legt op de creatieve aspecten van het samenleven met mensen die van ons verschillen. Ze zouden zich de boodschap moeten herinneren die impliciet uit veel Koranverzen spreekt, zoals de volgende:

'Iedereen heeft een richting, waarheen hij zich wendt, wedijvert daarom met elkander in goede werken. Waar gij ook zijt, Allah zal u allen tezamen brengen. Voorzeker, Allah heeft macht over alle dingen.' ( soera 2: Al-Baqarah: 148)

'Voor iedereen bepaalden Wij een wet en een weg. En indien Allah had gewild zou Hij u allen tot ťťn volk hebben gemaakt, maar Hij wenst u te beproeven met hetgeen Hij u heeft gegeven. Wedijvert dus met elkander in goede werken. Tot Allah zult gij allen terugkeren, dan zal Hij u datgene mededelen, waarover gij van mening verschilt.' ( soera 5: Al-Ma'idah: 51)

'En het mensdom was slechts ťťn gemeenschap, daarna verschilden zij en ware het Woord van uw Heer niet uitgegaan, voorzeker zou er over hun geschil beslist zijn.' ( soera 10: Yunus: 19)

real audio file Gezien in het perspectief van de normatieve islam zal het duidelijk zijn dat God, die verscheidenheid heeft verordend, ook de dialoog heeft verordend, zodat we onze gemeenschappelijke afkomst kunnen ontdekken en samen naar ons gemeenschappelijke doel kunnen streven. De wegen die we volgen zijn wellicht verschillend, maar de pijn van de zoektocht, de passie van het zoeken is hetzelfde. Er staat veel in de Koran dat expliciet betrekking heeft op de relaties tussen de 'Volken van het Boek' - joden, christenen en moslims - ten opzichte van God en van elkaar. Ik ben van mening dat we de vele barriŤres, die onze interreligieuze en interculturele dialoog in de weg staan, kunnen overwinnen als we begrijpen wat de Koran ons zegt. Maar er moet nog veel werk worden verzet (zowel door moslims als joden en christenen), afzonderlijk en gezamenlijk, voordat we alles kunnen begrijpen en overwinnen wat ons, als mens en gelovige in dezelfde liefdevolle, genadige, rechtvaardige en op de dialoog georiŽnteerde God, scheidt.

   


Challenges of a media-rich world