De Kracht van Cultuur - Home
Thema's: Onze creatieve verscheidenheid
A new global ethics
De noodzaak tot pluralisme
Een door media overspoelde wereld
recasting cultural policies
/nlen300-26.gif (335 bytes)

Het faillissement van een restrictief mediabeleid
Raymond van den Boogaard

Samenvatting

De in de komende decennia te verwachten verveelvoudiging van het aantal beschikbare televisie- en radiosignalen is - behalve een reden voor blijde afwachting - op veel plaatsen in de wereld ook een reden tot zorg. Van oudsher worden radio en televisie immers mede als een bedreiging gezien, een nog groter bedreiging dan gedrukte media kunnen zijn. Door wie? Door degenen die aan de maatschappij waaruit ze voortkomen, een zekere richting willen geven - omdat ze politicus zijn bijvoorbeeld, of ambtenaar, of op andere manier als 'maatschappelijk kader' kunnen worden bestempeld.

Niet altijd hoeft het daarbij te gaan om totalitaire pretenties. Natuurlijk hebben dictators en hun paladijnen in het bijzonder een broertje dood aan - om enkele voorbeelden te noemen - televisiesatellieten die los van staatsgrenzen kunnen worden bekeken, of beeld-, tekst- of geluidsbestanden die zonder noemenswaardige mogelijkheden tot controle van overheidswege van willekeurig welk punt op de aarde naar willekeurig welk ander punt op de aarde kunnen worden gestuurd.

Maar de neiging tot het instellen van restricties - en anders kan men de discussie over het instellen van wereldwijde 'codices' niet noemen - is geenszins voorbehouden aan dictaturen, waarvan er gelukkig sinds enkele jaren steeds minder zijn op deze aarde. De kortegolf, voor de komst van satellieten en internet eigenlijk het enige medium waarmee het mogelijk was wereldwijde (radio-)boodschappen rond te sturen, moge dan tegenwoordig grotendeels vrij zijn van het gebrom en gepiep van de stoorzenders van de voormalige Sovjet-Unie en zijn satellietstaten: nu zijn het veelal keurige, democratische landen waar men zich zorgen maakt over de aanslag op de nationale of regionale culturele waarden, die het zoveel indringender televisiesignaal zou kunnen opleveren. Om nog maar te zwijgen over mogelijke, commercieel gemotiveerde informatieinhoud die als schokkend of moreel volstrekt ontoelaatbaar zou worden ervaren - alle, of bepaalde vormen van pornografie bijvoorbeeld.

Het zou natuurlijk alleszins mogelijk zijn om dit soort zorgen, en de eruit voortvloeiende neiging tot regulering van informatieinhoud, af te doen als een ontoelaatbare aanslag op de beoordelingsbevoegdheid van het individu, waarop al die informatie in laatste instantie gericht is.

Ik ben, op grond van mijn afkomst en culturele vorming, zeker tot zo'n standpunt geneigd. De keuzemogelijkheid op het gebied van informatie, lijkt mij, is een waarde op zich en het moet de individuele mens zeker worden toevertrouwd binnen het aanbod, hoe rijk, controversieel of desnoods stuitend ook, zijn eigen keuzen te maken.

Maar daarmee is het vraagstuk natuurlijk niet afdoende behandeld: het lijdt inderdaad nauwelijks twijfel dat blootstelling aan bepaalde vormen van informatie individuen bij tijd en wijle ernstig tot vertwijfeling kan brengen, dat een bombardement met minderwaardige cultuurgoederen van elders een bedreiging kan vormen voor veel eigens en waardevols. Als een zinvol beleid van beÔnvloeding van de informatieinhoud op deze terreinen schade kan beperken, waarom zou een maatschappij, of een eruit voortkomende overheid dan niet van die mogelijkheden gebruik maken?

Als zo'n zinvol beleid van restrictie, waarbij de mate van vrijheidsbeperking in een redelijke verhouding staat met het heilzame effect van de maatregelen, tenminste inderdaad mogelijk is.

En daar zit hem nu juist de kneep. Of zo'n beleid mogelijk is, lijkt mij meer dan onzeker. En ik hoop dat in de onderhavige beschouwing te illusteren aan de hand van de geschiedenis van de radio- en televisie in Nederland waar, ogenschijnlijk met de beste bedoelingen, decennia lang een buitengewoon restrictief beleid is gevoerd op het gebied van de beschikbaarheid van radio- en televisiesignalen.

Nederland is een interessant terrein bij de bestudering van restricties op het gebied van de media, omdat dit land wijd en zijd niet bekend staat als een land van censuur, eerder het tegenovergestelde. De wordingsgeschiedenis van het huidige Nederland, voortgekomen uit een langdurige, sociaal en regionaal gedifferentieerde opstand tegen het centraliserende Spaanse bestuur aan het eind van de zestiende eeuw, werkte een grote mate van vrijheid in de hand. Een centraal gezag, dat aan de hand van centraal bepaalde normen de vrijheid van meningsuiting kon beperken, ontbrak. Weliswaar gold in Nederland lange tijd de calvinistische variant van het protestantisme min of meer als de dominante ideologie, maar dat heeft de expressie in woord en geschrift van andere denkbeelden in de praktijk nauwelijks in de weg gestaan. Niet voor niets gold Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw als de drukfabriek van Europa, waar, met name ook voor de export, boeken en periodieken werden vervaardigd die elders in Europa verboden waren.

De instelling van een meer gecentraliseerde Nederlandse staat na 1813 heeft in die situatie geen noemenswaardige verandering gebracht. De geschiedenis van de vrijheid van drukpers en meningsuiting heeft - zoals in de meeste landen - zeker zijn ups en downs, maar de liberale praktijk heeft steeds de overhand gehad. Zeker hebben steeds voorlieden van bepaalde bevolkingsgroepen hun volgelingen aangeraden de drukwerken van andere stromingen links te laten liggen - het lezen van een liberale krant werd door menig pastoor in de biechtstoel ernstig afgekeurd - maar aan het algemeen aanvaard principe van de mogelijkheid tot vervaardiging van een wijd scala aan geschriften van verschillende signatuur, en hun vrije verkoop, deed dit alles in het geheel geen afbreuk.

De zwaarste test op dit gebied heeft aan het einde van de negentiende eeuw de Nederlandse samenleving glansrijk doorstaan, toen de moderne arbeidersbeweging op grote schaal kranten en andere geschriften ging produceren die een radicale maatschappelijke omwenteling propageerden. Zeker zijn in die jaren veel geschriften in beslag genomen, processen gevoerd etc. Maar die schandalen hadden steeds betrekking op bepaalde artikelen waarvan de inhoud als smadelijk- of anderszins strafbaar werd gezien. Het heeft de moderne arbeidersbeweging rond 1900 - die aanvankelijk anarchistisch van snit was en zich later in de richting van het marxisme bekeerde - er niet van afgehouden een rijke pers op touw te zetten, en geen autoriteit heeft dat ook in ernst willen verhinderen.

Deze situatie van grote vrijheid duurt, op het gebied van de drukpers, tot op de huidige dag en wordt in de Nederlandse samenleving allerwege als een groot goed ervaren. Het lijkt niet overdreven te zeggen dat in Nederland vrijwel alles wat gepubliceerd kan worden ook gepubliceerd wordt. Zeker zijn daaronder zaken die in brede lagen van de bevolking als smakeloos, niet-waardevol en schokkend worden ervaren. Maar in de geldende situatie van overvloed neemt de individuele gebruiker van gedrukte media de door hem afgewezen informatie gewoon niet tot zich. Slechts bij hoge uitzondering probeert het individu via de rechter een verbod op publicatie te bewerkstelligen, en de overheid is in dit opzicht al helemaal voorzichtig - daar zij weet dat elke schijn van censuur binnen de Nederlandse samenleving op krachtige veroordeling stuit.

Op het gebied van radio en televisie is de situatie echter een enigszins andere: restricties van overheidswege voerden lange tijd de boventoon en doen dat in zekere zin nog steeds.

Het is van belang te constateren dat de eerste wording van deze situatie grote overeenkomsten vertoont met de situatie waarin nu wereldwijd stemmen opgaan om voorzichtig om te gaan met 'normloze' grensoverschrijdende omroepsignalen of informatie via Internet. Ook eind jaren twintig, toen het medium radio opgang deed, werd zwaar getild aan de mogelijkheid dat burgers - in de huiselijke kring geconfronteerd met een medium dat geacht werd veel indringender te zijn dan het gedrukte woord - door ongecontroleerde informatie in hoge mate in de war zouden kunnen raken, vervreemd raken van hun eigen cultuur - kortom in hun persoonlijke en culturele identiteit zouden worden geschaad.

Het resultaat was dat aan het begin van de jaren dertig een - later naar de televisie overgeplant en grotendeels nog steeds bestaand - omroepsysteem vorm kreeg, dat geacht werd de schadelijke gevolgen van de toenmalige revolutie in de media tegen te gaan.

Er ontstonden protestante, katholieke, socialistische en liberale omroeporganisaties, naar analogie van de levensbeschouwelijke en politieke situatie in het Nederland van die jaren, die wel als ťťn gebouw met verschillende 'zuilen' placht te worden omschreven. Het aldus ontstane systeem ging uit van de gedachte, dat een individu genoot van wat zijn 'souvereiniteit in eigen kring' genoemd werd - hij was al lid van een katholieke, socialistische of potestante sportvereniging, stemde op een dienovereenkomstige partij en zou dus nu - in theorie - ook op zijn radiotoestel kunnen luisteren naar geluiden uit de eigen kring en niet - zo was althans de doctrine - naar anderssoortige geluiden die hem en zijn gezinsomgeving in verwarring konden brengen.

Het is hier niet de plaats om na te gaan in hoeverre deze omroepdoctrine al in de jaren dertig een anachronisme was. Dat de katholieke clerus het in de jaren vijftig nodig achtte actie te voeren tegen leden van de kudde die naar socialistische radiouitzendingen luisterde, geeft al aan dat we vermoedelijk met een fictie te maken hebben: de Nederlandse samenleving was nooit zo statisch in zuilen verdeeld, als de voorlieden der verschillende zuilen wel wilden geloven.

En met de wording van de moderne industriŽle samenleving in de jaren zestig werd de afstand tussen de fictie waarop het omroepstelsel was gebaseerd en de maatschappelijke werkelijkheid steeds groter. De maatschappelijke verscheidenheid in Nederland loopt tegenwoordig langs geheel andere lijnen dan die van protestantisme, socialisme etc. Significant zijn in dit verband de steeds verder afnemende constante trouw van bepaalde bevolkingsgroepen aan bepaalde politieke partijen en de geschiedenis van het Nederlandse dagbladwezen: waar in de jaren vijftig nog gezegd kon worden dat dagbladen geclassificeerd konden worden aan de hand van de zuilenstructuur, bedienen diezelfde titels tegenwoordig bevolkingsgroepen die eerder aan de hand van sociale stratificatie op het gebied van inkomen of opleiding kunnen worden omschreven. Dagbladtitels die met deze ontwikkeling niet zijn meegegaan zijn over het algemeen economisch ten onder gegaan, of zijn tot onbeduidende blaadjes verschrompeld.

Het uit de jaren dertig daterende omroepsysteem heeft echter, dankbaar gebruikmakend van krachtige lobbies in het parlement, de druk van maatschappelijke verandering weten te doorstaan en - zij het met afnemend succes - zijn monopoliepositie weten veilig te stellen. De indruk dat dit levend anachronisme nog lang niet aan zijn laatste strijd toe is, ofschoon het zijn maatschappelijke basis goeddeels heeft verloren, werd in het voorjaar van 1996 weer eens bevestigd toen een commissie van staat, regering en parlement was uitgenodigd voorstellen te doen voor een hervorming van het historisch gegroeide omroepbestel. Terwijl het disfunctioneren van dit bestel inmiddels een binnen de samenleving algemeen aanvaard gegeven is, blijkt het binnen de politieke klasse nog steeds niet mogelijk tot voorstellen tot wezenlijke hervorming van dit bestel te geraken.

Een buitenstaander zou, na deze constateringen, misschien kunnen denken dat het in Nederland vigerende omroepbestel een propagandamachine is, van waaruit een samenleving bij voortduring wordt verveeld met anachronistische ideologieŽn. Zo is het niet: wat de programmainhoud betreft zijn de verschillende omroeporganisaties grotendeels 'ontzuild' tot op een punt waarin het nog maar zelden duidelijk is, wat een uitzending nu typisch katholiek, protestant of socialstisch maakt. In sommige gevallen heeft de televisie zelfs het voortouw genomen bij de expressie van veranderingen binnen de Nederlandse cultuur: op het gebied van de opvattingen over zedelijkheid in de jaren zestig en zeventig bijvoorbeeld.

Waar het bestel van levensbeschouwelijke omroeporganisaties zich echter buitengewoon totalitair heeft betoond, was in het streven voor zichzelf het momopolie op radio- en televisieuitzending binnen Nederland te bewaren. Elke poging om binnen het kader van de nationale wetgeving te komen tot alternatieve structuren voor commerciŽle omroep met name, werden tot diep in de jaren tachtig in de kiem gesmoord en hetzelfde gold lange tijd voor regionale omroepen. Met juridische spitsvondigheden werd een einde gemaakt aan pogingen om vanaf de internationale wateren in de Noordzee in de Nederlandse taal radio en televisie te bedrijven.

Bij deze decennia durende strijd ter behoud van het monopolie won het streven naar eigen behoud het telkenmale van de gedachte dat omroepactiviteiten in laatste instantie dienstbaar moeten zijn aan de behoeften vanuit het publiek. Tot op de huidige dag bijvoorbeeld zijn de levensbeschouwelijke omroepen niet bereid te komen tot een consequente karakterisering van de vijf radiozenders die zij bezetten, omdat ze denken dat een indeling in nieuws, klassieke muziek, popmuziek etc. afbreuk zal doen aan hun ideologische herkenbaarheid. Een vergelijkbare situatie bestaat bij de drie televisiezenders onder hun beheer. Lange tijd zijn ook bepaalde belangstellingssferen bewust en hoogmoedig geschoffeerd - de liefhebbers van popmuziek bijvoorbeeld, aan wie tot diep in de jaren tachtig een adequaat functionerende popzender werd ontzegd omdat enkele van de omroeporganisaties een dergelijke muzikale belangstelling niet passend achtten.

Deze verontachtzaming van de maatschappelijke functie van de omroep ging steeds gepaard met een overstatement door de omroepen van hun eigen maatschappelijke functie. Op welhaast totalitaire wijze riepen de omroeporganisaties zichzelf uit tot de enige behoeders van Nederlands cultuureigen, en van de democratische waarden, daarbij dankbaar gebruik makend van hun eigen monopolie op ethersignalen. Wie in de jaren zestig, zeventig en tachtig hun langdurige propagandacampagnes tegen de invoer van rivaliserende omroepen volgde, moest wel haast tot de conclusie komen dat zij nog de enige verdedigers waren van alle nationale, zo niet menselijke cultuur tegen de bedreiging van de moloch der commercie. In een mercantiele, zakelijke cultuur als de Nederlandse vormen dit soort opvattingen bepaald een anomalie.

Het uit de jaren dertig functionerende bestel moge institutioneel nog steeds overeind staan - in objectieve zin heeft het sinds het einde van de jaren tachtig veel van zijn betekenis verloren. Nadat Europese regelgeving sterker bleek dan Nederlandse juridische spitsvondigheden, deed commerciŽle televisie op de Nederlandse markt zijn intrede vanuit Luxemburg. Inmiddels is Nederland een viertal in essentie buitenlandse commerciŽle televisiezenders rijk, die in de luttele jaren van hun bestaan meer dan de helft van de kijkers hebben weggezogen van de gevestigde omroepen.

Als een culturele bedreiging wordt deze situatie door bijna niemand in Nederland gezien - de erbij betrokken ondernemingen stellen zich voorzichtig en zakelijk op en vermijden aanvaringen met zowel de Nederlandse smaak als de politieke cultuur der Lage landen. Daar staat tegenover dat deze zenders als instrument van cultuurpolitiek in Nederland volstrekt verloren zijn. In landen als Engeland, Frankrijk of Duitsland hebben overheden bij het toelaten van commerciŽle televisiezenders veelal een bepaalde culturele functie bedongen bij deze zenders, of een bepaald aandeel van lokaal geproduceerde programma's in hun totale aanbod. Omdat de omroepcommercie in Nederland echter geheel ondanks de Nederlandse overheden tot stand is gekomen, ontbreekt het die overheden - op een enkele aantekening in de Mediawet na - aan elke vorm van een ideologische hefboom.

Het einde van de afkalving van de traditionele omroeporganisaties in de volksgunst is nog niet in zicht, wat de televisie aangaat. Vroeg of laat zal dit gevolgen hebben voor het democratisch draagvlak van de wettelijk verplichte omroepbijdrage, die nu hun voornaamste financieringsbron is, en daarmee voor de mogelijkheid van maatschappelijke, of culturele 'sturing' van het omroepaanbod. Erger nog is de situatie bij de traditionele radiozenders, wier publiek als sneeuw voor de zon lijkt te verdwijnen, nu de overheden in eigen land een schoorvoetend liberalisatiebeleid voeren. Ofschoon de traditionele radio- en televisiebespelers nog steeds, zoveel als zij kunnen, de werkelijkheid negeren, hebben ze in feite van doen met een grootscheepse kijkers- en luisteraarsstaking.

De Nederlandse situatie illustreert het failliet van pogingen om, in een hoog ontwikkeld, welvarend land met een democratische traditie, langs restrictieve weg tot een zegenrijk, maatschappelijk verantwoord beleid in zake de media te komen. De Nederlandse ontwikkeling laat zien, dat een restrictief beleid maar al te vlug zijn eigen, institutionele dynamiek ontwikkelt. Het verliest daardoor het contact met de dynamiek van de maatschappij en ontaardt op den duur in publieksverachting, los van de hoogstaande bedoelingen die een dergelijk beleid misschien met recht voor zichzelf kan opeisen.

Op den duur marginaliseert een dergelijk beleid zichzelf, omdat het de informatieinhoud in toenemende mate buiten de samenleving plaatst en zichzelf verlamt als middel om nog een rol te spelen binnen de daadwerkelijke maatschappelijke ontwikkeling. Dat is de les van het omroepbestel in Nederland - geen totalitair land, slechts een land met een restrictief omroepbestel. Die les is in wezen niet anders dan voor menige dictatoriale staat, waar de machthebbers zich zien gepasseerd door sociale en politieke ontwikkelingen en revoluties die zij nochthans nimmer hebben gepropageerd in de door hen gecontroleerde media.

Wie het beste voorheeft met zijn land of zijn cultuur en zich voorstelt met zijn mediapolitiek op die culturele ontwikkeling een zekere invloed te behouden, bedenke zich voordat hij de weg opgaat van de restricties en verboden, ook al heten deze eufemistisch 'normen'.


Raymond van den Boogaard (1951) is journalist bij NRC Handelsblad. Hij was onder meer correspondent in Moskou en Berlijn. In die periode schreef hij het boek Moskou aan Zee (1988). Van 1991 tot 1994 versloeg hij de oorlog in voormalig JoegoslaviŽ. Thans is Van den Boogaard media-redacteur.

 



pijltje.gif (895 bytes) Een door media overspoelde wereld
Samenvatting
Raymond van den Boogaard
Jean Pierre Guepin
Inleiding
pijltje.gif (895 bytes) Een nieuwe mondiale ethiek
pijltje.gif (895 bytes) De noodzaak tot pluralisme
pijltje.gif (895 bytes) Nieuw zicht op cultuurbeleid (EN)


"
...Het einde van de schaarste betekent ook dat de rol van de overheid kan veranderen. Zij kan zich concentreren op vragen van toegankelijkheid, kwaliteit, betrouwbaarheid en pluriformiteit. .... Daarbij moet zij niet restrictief optreden, maar stimulerend.
"
Marjet van Zuijlen
(2e Kamer lid PvdA)
Challenges of a media-rich world
recasting cultural policies