De Kracht van Cultuur - Home
Thema's: Onze creatieve verscheidenheid
A new global ethics
De noodzaak tot pluralisme
Een door media overspoelde wereld
recasting cultural policies
Uitdagingen van een door media overspoelde wereld
De zoektocht naar beginselen op nationaal
niveau
pijltje.gif (895 bytes) Van nationaal naar internationaal beleid
Een door media overspoelde wereld
Van nationaal naar internationaal beleid

Ondanks de mondialisering van informatie zijn de bovengenoemde principes niet van een nationaal naar een internationaal niveau getild. Inmiddels beschikt de Commissie over voldoende aanwijzingen dat de tijd hier nu rijp voor is. Er is ruimte voor een internationale structuur, ter aanvulling van de nationale gereguleerde structuren. Natuurlijk bestaan dergelijke nationale structuren nog niet overal en moeten ze daarom nog steeds in een aantal landen worden bevorderd. Bovendien is een aantal bestaande systemen verouderd. In beide gevallen moeten overheden erop worden gewezen dat ze - gezien hun verantwoordelijkheid voor menselijke ontwikkeling - een standpunt zullen moeten bepalen dat overeen komt met de hierboven geformuleerde principes.

De concentratie van eigendom en productie in de mediawereld is op internationaal niveau nog opvallender aan het worden dan op nationaal niveau, wat betekent dat de mondiale media nog marktgerichter zijn. Kan in deze context het pluralistische "gemengde economie"-mediasysteem dat in veel landen aan het ontstaan is ook wereldwijd worden gestimuleerd? Kunnen we ons een mondiale informatiestructuur voorstellen waarin plaats is voor afwijkende stemmen? Kunnen de mediaprofessionals rond de tafel gaan zitten met beleidsmakers en consumenten om manieren te vinden die zowel toegang tot de media als verscheidenheid in wijze van uitdrukking bevorderen, ondanks de hevige concurrentie waardoor de mediabazen uit elkaar worden gedreven?

De Commissie heeft op dergelijke vragen geen antwoord. Zij is echter wel van mening dat ze binnen de context van cultuur en ontwikkeling moeten worden gesteld. Zij is er tevens van overtuigd dat het stellen van dergelijke vragen een internationale dialoog waardevoller maakt.

Volgens veel door de Commissie geraadpleegde deskundigen is het uiterst belangrijk om op internationaal niveau een evenwicht tussen publieke en particuliere belangen te vinden. Zij voorzien overeenstemming in het algemeen belang op transnationale schaal en stellen voor om verschillende nationale benaderingen op ťťn lijn te brengen en algemeen aanvaardbare richtlijnen verder uit te werken met de actieve deelname van de belangrijkste betrokkenen. Ten slotte menen zij dat nieuwe internationale regelgeving geen hersenschim is maar kan worden gerealiseerd door middel van transnationale overeenkomsten die zowel de publieke en als de particuliere mediasector omspannen.

1. Stimuleren van concurrentie

Met de opkomst van internationale communicatienetwerken, zoals Internet, wordt regelgeving door een of meerdere belanghebbenden weerstaan. Dit geldt echter niet voor de hele communicatieen mediasector. Het samenvallen van aaneengekoppelde technologieŽn en het positioneren van binnenlandse marktleiders in het buitenland heeft de internationale concentratie van eigenaars bevorderd. De afgelopen tien jaar heeft in iedere sector een ongekend aantal samenwerkingsovereenkomsten, fusies en overnames plaatsgevonden. Leveranciers van consumentenelektronica, mediaproducenten, televisiemakers, kabelmaatschappijen, uitgeverijen, computeren telecommunicatiebedrijven: ze vechten allemaal om een positie op de wereldmarkt. Producenten zijn er zelf de oorzaak van dat verschillen tussen informatie en amusement, software en hardware, product en distributie beginnen te vervagen.

Nieuwe samenwerkingsverbanden worden aangegaan tussen programma-eigenaars en eigenaars van de infrastructuur. In mei 1995 bijvoorbeeld kondigde MCI, een Amerikaans internationaal telecommunicatiebedrijf, een investering aan van 2 miljard dollar in Rupert Murdoch"s News Corporation. Hiermee werden de hardwareglasvezelbekabeling en de software-programmatuur samengebracht. Een gigantisch pakket films, televisieprogramma"s, publicatieen multimediamiddelen wordt voortaan verspreid door een glasvezeltelecommunicatienet met toegang tot Internet. De afspraak van Time Warner om Turner Broadcasting System te kopen voor 7,5 miljard dollar werd aangekondigd als de vorming van "s werelds grootste mediaconcern. De fusie van Capital Cities/ABC met het Disney-imperium, ter waarde van 19 miljard dollar, zal volgens Michael Eisner, voorzitter van de raad van bestuur van Disney, "het grootste amusementsbedrijf ter wereld voor de komende eeuw" tot stand brengen. Er wordt veel gesproken over giganten die synergie zoeken. Hierdoor lijkt AT&T tegelijkertijd kleiner te worden. Maar het gevolg voor de werkgelegenheid is hetzelfde: vermindering van het aantal banen en mislukte carriŤres. Terwijl de doelmatigheid op mondiaal niveau toeneemt, hebben gemeenschappen onder deze ontwikkelingen te lijden. Steden raken hun hoofdkantoren van grote ondernemingen kwijt en zakenlieden die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus nemen worden vervangen door tijdelijke managers.

Hoe kan de wereld, geconfronteerd met zo"n indrukwekkende macht, de zaak in evenwicht houden? Deze gedachte leidt alom tot bezorgdheid. Steeds vaker roepen deskundigen om een tegenwicht van de kant van de overheid en de burgers.

Op dit moment bestaat er echter weinig internationaal beleid om dit te bevorderen. Er is zelden sprake van structurele samenwerking tussen nationale beleidsmakers en degenen die verantwoordelijk zijn voor regulering. Verschillende instanties van de Verenigde Naties hebben enige invloed op het functioneren van de internationale mediawereld, maar deze is op het gebied van concurrentiebevordering zeer beperkt. De Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) houdt zich hoofdzakelijk bezig met de harmonisatie van technische telecommunicatienormen, de toewijzing van radiofrequenties en het verschaffen van een zekere mate van assistentie. De UNESCO is een belangrijk forum waar de culturele en sociale aspecten van communicatieen informatiemiddelen kunnen worden besproken. Door middel van projecten stimuleert de UNESCO tevens op actieve wijze het vrije informatieverkeer op elk niveau, persvrijheid en onafhankelijke en pluralistische mediavormen. De Wereld Handels-Organisatie (WTO) heeft een beperkt mandaat met betrekking tot de basistelecommunicatiediensten en houdt zich niet met culturele kwesties bezig.

De Commissie vraagt zich in dit verband af of wellicht een stelsel van gecoŲrdineerde regelgeving en een mogelijk internationaal concurrentiebeleid moeten worden overwogen. Het kan ook nodig zijn om een of andere vorm van internationaal omroepbeleid vast te stellen voor satellietuitzendingen en andere mediagebonden diensten. De meeste landen kennen al onafhankelijke instanties die toezicht houden op binnenlandse telecommunicatieen omroepactiviteiten. Zou een soortgelijk lichaam ook op mondiaal niveau mogelijk zijn?

Net zoals de regelgeving voor een nationale infrastructuur op technologisch gebied moet worden aangepast om de nieuwe mogelijkheden op mondiaal niveau te kunnen reguleren, zo zouden ook, vanuit een ruimere sociale en culturele invalshoek, consequente spelregels moeten worden opgesteld voor alle delen van de wereld. Dit betekent dat kwesties als liberalisering, internationale afstemming, mondiale uitzending, tarieven en onderlinge verbindingen allemaal moeten worden bestudeerd, waarbij de eis tot capaciteitsverhoging van de menselijke ontwikkeling steeds dient mee te spelen.

In de wereld van vandaag "heerst een hoge mate van overeenstemming over het gemeenschappelijke belang om een stelsel te creŽren dat het bedrijfsleven ondersteunt, maar misbruik tegengaat". Hiervan uitgaande heeft de Wereldcommissie voor Mondiaal Bestuur voorgesteld dat de Wereld Handels-Organisatie (WTO) gaat onderhandelen over een internationale "code van goed gedrag" met betrekking tot buitenlandse investeringen. Ook zou de WTO transnationale ondernemingen moeten erkennen die de basisbeginselen van goed gedrag aanvaarden, zoals opgenomen in de code. De Commissie is zich ervan bewust dat de meeste transnationale ondernemingen over verantwoordelijkheidsbesef beschikken en dat ze duidelijke mondiale afspraken, waarin hun eigendomsrechten en bepaalde andere rechten worden erkend, zullen verwelkomen. Een gelijksoortige regelgeving voor de bevordering van mediaconcurrentie lijkt voor de hand te liggen.

Omdat zulke ideeŽn zorgvuldig moeten worden overwogen, stelt de Commissie in haar Internationale Agenda een haalbaarheidsstudie voor. Om de mondiale mediamarkt beter te laten functioneren, zouden sommige stappen onmiddellijk moeten worden genomen. Een eerste stap zou kunnen zijn dat landen onderling vaststellen hoe ze hun eigen bestaande methoden voor concurrentiebevordering op elkaar af kunnen stemmen. Zulke vragen zijn al aan de orde gekomen op ad hoc-vergaderingen van nationale regelgevende instanties van landen als AustraliŽ, Canada, Frankrijk, Japan, Nieuw-Zeeland en Groot-BrittanniŽ. De deelnemers toonden echter vooral interesse in de toepassing van de lessen uit buitenlandse ervaringen in hun eigen land. Deskundigen op het gebied van nationale concurrentiebevordering moeten nu dringend samenwerken om deze ook op internationaal niveau te bevorderen.

2. Stimuleren van verscheidenheid

Dank zij de internationale commerciŽle media is nu een zekere mate van toegankelijkheid en programmakeuze mogelijk, met name nu satellietzenders die in de meeste gebieden kunnen worden ontvangen ook lokale programma"s in hun pakket opnemen. In zakelijk opzicht is dit handig. Wanneer mediabazen ontdekken dat hun "mondiale cultuurproduct" moeilijk verkoopbaar is, zullen ze bereid zijn hun programma"s aan te passen, om zo hun publiek tevreden te stellen. MTV bijvoorbeeld, de satellietzender uit de Verenigde Staten die videoclips uitzendt, heeft zijn mondiale strategie herzien en is nu regionale uitzendingen met een lokaal accent aan het ontwikkelen. MTV wil de wereldwijde aanwezigheid en ťťn enkel merk combineren met een product dat bestemd is voor aparte markten (de Verenigde Staten en Canada, Europa, BraziliŽ, Japan, Taiwan, India en Spaanstalige kijkers in de Verenigde Staten). Andere compromissen geven aan hoe moeilijk het is om een evenwicht te vinden tussen overheidsen privť-belangen en tussen mondiale en plaatselijke belangen. De beslissing van de Indiase regering in juni 1995 om CNN International ruimere toegang tot de Indiase markt te geven door beperkte zendtijd toe te staan op het door de overheid gemonopoliseerde radioen televisienet Doordarshan, is een voorbeeld van een nationale poging om de informatiestroom van mondiale media onder controle te krijgen.

Maar is dit voldoende? Ondanks aanpassingen aan lokale markten wordt gelijkschakeling nog steeds door technologische en economische factoren bevorderd. Zolang kijkcijfers het hoogste goed zijn, zullen creatieve mogelijkheden beperkt blijven. Dit is ook het geval waar de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt door regimes die macht uitoefenen over de verspreiding van informatie. Om voor de uitwisseling van informatie tussen volken maximaal te kunnen profiteren van de internationale media, moet de mondiale mediawereld gevarieerder worden, vergelijkbaar met de situatie zoals die nu in een aantal landen bestaat.

Omdat informatie dank zij de vooruitgang in digitale technologie steeds compacter kan worden verzonden, is er nu een distributiemiddel met een nagenoeg ongelimiteerde capaciteit voorhanden. Slechts enkele technische hindernissen moeten nog worden overwonnen om het aantal en de verscheidenheid van de signalen rond de aardbol enorm te doen toenemen. Als het gaat om een mondiale markt werpt de roep om een pluralistischer mediabestel nu vragen op die voornamelijk op beleidsniveau liggen. Kan de op nationaal niveau geaccepteerde rol van publieke en alternatieve media als factoren die gelijkwaardigheid bevorderen ook internationaal worden toegepast? Op welke basis kunnen fondsen voor alternatieve internationale zenders worden bemachtigd?

Het concept van een "publieke mediaruimte" steunt op de gedachte dat publieke en particuliere media naast elkaar kunnen bestaan. De publieke mediaruimte is, gezien de vanouds gebruikelijke mediareglementering en het bestaan van publieke radioen televisieomroepen, in de meeste landen stevig verankerd. Alternatieve educatieve en lokale media, of het nu plaatselijke kranten in MaleisiŽ of lokale radio in Latijns Amerika zijn, helpen mee om deze publieke ruimte vorm te geven. Hoewel er voorbeelden bestaan van publieke omroepen (bijvoorbeeld de BBC World Service) die de nationale grenzen hebben overschreden, vallen deze niet onder het begrip internationale publieke ruimte.

Tien jaar geleden begon CNN met zijn internationale satellietzender. Momenteel begint een mondiale informatieen communicatie-infrastructuur vaste vormen aan te nemen. De kwestie van publieke omroepen en publieke ruimte moet daarom een internationale dimensie krijgen. De publieke media zijn het podium (of zouden dat moeten zijn) waarop alle geledingen en niveaus van een samenleving hun stem kunnen laten horen. Zijn er daarom geen gelijksoortige internationale systemen nodig die beter beantwoorden aan de uiteenlopende behoeften van alle volken?

CommerciŽle satellietzenders maken gebruik van radiogolven zonder te refereren aan het concept "publieke ruimte". De "mondiale ruimte", gedefinieerd als het spectrum van radiofrequenties dat door satellieten wordt gebruikt, is er voor iedereen. Zoals Alvin Toffler heeft benadrukt: "Het spectrum behoort, net als de oceaanbodem en de lucht die wij inademen, aan iedereen toe en niet slechts aan een enkeling. Althans, zo zou het moeten zijn". Toch is het gebruik van deze mondiale ruimte door middel van internationale afspraken onder leiding van het ITU ingedeeld, waarbij de individuele belangen van overheden tot dusverre hebben overheerst. Iedere overheid beheert de aan haar toegewezen frequenties vanuit haar eigen doelstellingen. In ruil voor het gebruik van dit algemene goed moeten binnenlandse telecommunicatieen omroeporganisaties meestal aan bepaalde eisen voldoen en een tarief betalen. Vergelijkbare algemene verplichtingen voor internationale zenders die gebruik maken van de mondiale mediaruimte bestaan echter niet.

Deze leemte zou de kern moeten zijn van het komende debat over de manier waarop we de mondiale ruimte op mediagebied het beste kunnen delen. Het eenvoudigste voorstel is een internationale belasting waarmee nieuwe inkomsten worden gegenereerd om te investeren in alternatieve regionale en mondiale zenders en programma"s. Deze kan worden geheven op het commerciŽle gebruik van de mondiale ruimte, vergelijkbaar met de voorgestelde belasting op grensoverschrijdende kapitaalstromen en op het gebruik van fossiele brandstoffen. Er kunnen methoden worden onderzocht die vergelijkbaar zijn met de compensatie die, zoals voorgesteld, betaald zou moeten worden voor het vrije gebruik (of misbruik) van de open zee door commerciŽle visserijen scheepvaartmaatschappijen en de mijnindustrie. Er is behoefte aan gedetailleerde studies om na te gaan of dergelijke ideeŽn ook kunnen worden toegepast voor de financiering van alternatieve publieke mediadiensten. Uiteraard moeten ook de verschillende implicaties op het gebied van de rechtsbevoegdheid in dergelijk onderzoek worden betrokken.

Een andere mogelijkheid is een strategie die gericht is op investeringen: een belasting die bestaat uit een klein percentage van de bruto-inkomsten van alle commerciŽle mediaen communicatievormen zou de basis kunnen vormen van een investeringsfonds voor de productie en distributie van alternatieve programma"s. Zo"n investeringsfonds kan worden opgericht zonder tussenkomst van een instantie die verantwoordelijk is voor de regelgeving met betrekking tot vergunningentarieven voor het frequentiespectrum. Met deze aanpak kan men zonder onderscheid zowel buitenlandse als binnenlandse commerciŽle belangengroepen belasten.

De Commissie doet daarom de aanbeveling om de haalbaarheid van deze en andere financieringsmogelijkheden serieus te onderzoeken. Zij benadrukt dat elke poging om door middel van afbakening van de publieke mediaruimte verscheidenheid in programma"s te bewerkstelligen in het belang is van de particuliere sector, die al zeer veel in de internationale communicatie-infrastructuur heeft geÔnvesteerd. Het creŽren van een vraag naar nieuwe programma"s en diensten, vooral wanneer de capaciteit niet langer een probleem is, kan zelfs verdere investeringen stimuleren in gebieden waar de ontwikkeling van een dergelijke infrastructuur traag verloopt. Welke benadering ook wordt gekozen, er bestaat weinig twijfel dat de multimediatechnologie spoedig zal leiden tot veel flexibeler en interactieve mogelijkheden voor wereldwijde programmering, expressie en verspreiding.

3. Evenwicht tussen vrijheid en morele normen

De mogelijkheden van het mondiale informatie-tijdperk wekken niet alleen hoop, maar tevens de nodige vrees, die heeft geleid tot een zich steeds verder uitbreidend internationaal debat. De Commissie richt zich op ťťn aspect van deze veelzijdige discussie: de vraag of de zoektocht op nationaal niveau naar evenwicht tussen vrijheid en morele verantwoordelijkheid zijn weerslag kan krijgen op internationaal niveau.

Bij het afwegen van de voor- en nadelen die de ontvangst van de populaire mondiale media met zich meebrengen, wordt overal ter wereld een groeiende verontrusting uitgesproken - of het nu jonge mensen in Frankrijk zijn, ouders op de Filippijnen of zelfs potentiŽle presidentskandidaten in de Verenigde Staten - over de sterke toename van nodeloos geweld, expliciete seks en aanstootgevende taal in de huidige programma"s. Vooral de invloed van dergelijk materiaal op kinderen wordt gevreesd.

De ether wordt overspoeld met vooral Amerikaanse films en televisieprogramma"s, hoewel dergelijk materiaal ook uit vele andere landen afkomstig is. Uit een recent programma-onderzoek in India bleek dat de ondervraagde kijkers 70% van de programma"s als gewelddadig beschouwden. Volgens een ander onderzoek in negen Aziatische landen, alle met een vrij hoog percentage programma"s van eigen bodem, werd ten minste 60% als gewelddadig beschouwd. Het bleek voornamelijk te gaan om de tegenstelling tussen lokale context versus buitenlandse beelden. De bezorgdheid onder de Thai en de Koreanen betrof bijvoorbeeld de "brute samoerai en erotische drama"s" in Japanse programma"s en "de mentale agressie die verschilde van hun eigen waarden". Met de snelle ontwikkeling van nieuwe communicatie-technologieŽn blijven dergelijke reacties niet beperkt tot buitenlandse televisieprogramma"s en teksten in de popmuziek; zij kunnen ook betrekking hebben op aanstootgevend materiaal dat door bijvoorbeeld Internet wordt verspreid.

De reeds besproken nationale inspanningen maken duidelijk dat deze beladen confrontatie door de samenleving als geheel moet worden aangepakt, in een open en constructieve samenspraak tussen het openbaar gezag, het bedrijfsleven en het publiek. In veel landen bestaat reeds overeenstemming over de basisbeginselen.

Om dergelijke inspanningen ook op internationaal niveau te effectueren, moeten we de media niet de wet voorschrijven; we kunnen ze veel beter aanmoedigen om zelf bepaalde initiatieven te nemen. De directie van CNN heeft in feite al erkend dat "aangezien we een 24-uurs nieuwsen actualiteitenbedrijf zijn, dit met zich meebrengt dat het op elk moment van de dag ergens ter wereld "s morgens vroeg is of dat mensen aan het ontbijt of de avondmaaltijd zitten. We proberen ons daarom gedurende heel die 24 uur te beperken wat betreft al te expliciet gewelddadige beelden."

Kunnen we deze uitdaging op internationaal vlak aan zonder in censuur te vervallen? En onder wiens verantwoordelijkheid moet het proces vallen: van overheden, regelgevende instanties, omroepen, ouders? De Conventie voor de Rechten van het Kind uit 1989 voorziet al in een internationaal normatief raamwerk door in Artikel 17, dat betrekking heeft op de media, te verwijzen naar het feit dat de deelnemende landen er niet alleen voor dienen te zorgen dat kinderen toegang krijgen tot informatie en materiaal uit verschillende bronnen, maar ook "de ontwikkeling dienen te bevorderen van geschikte richtlijnen voor de bescherming van het kind tegen informatie en materiaal dat schadelijk is voor zijn of haar welzijn..." De inspanningen van de Europese Unie en de Raad van Europa hebben reeds aangetoond dat het heel moeilijk is om normen met elkaar in overeenstemming te brengen. Daarom weerspiegelen hun afspraken - in het eerste geval een Richtlijn, in het tweede geval Conventies - een regionale consensus waaraan elk land probeert te voldoen door ervoor te zorgen dat ten minste de basisnormen worden gerespecteerd.

Dit zijn precedenten die op wereldniveau zouden moeten worden nagevolgd. Welke richtlijnen zijn van toepassing op de mondiale mediavormen? De eerste stap zou kunnen zijn om de nationale praktijk (reglementering of beperking op vrijwillige basis) van een aantal landen te vergelijken, en dit als uitgangspunt te nemen voor een internationale discussie. Enkele veelomvattende en moeilijke kwesties zullen onder ogen moeten worden gezien, zoals tegenstrijdige nationale wetgeving, algemeen geaccepteerde programmakeuringen, de programmering van "veilige haven"-perioden (waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in tijdzones) en natuurlijk de verschillende morele maatstaven die gelden voor de belangrijkste kwesties. Een dergelijk discussieplatform zou nuttig kunnen zijn om te onderzoeken over welke onderwerpen een zekere vorm van overeenstemming mogelijk is.

4. Doelmatigheid en rechtvaardigheid: naar een mondiaal evenwicht

Is de mondiale informatie-infrastructuur gedoemd zich op onrechtvaardige wijze te ontwikkelen en het verschil tussen Noord en Zuid te vergroten? Hoe kunnen we het grootst mogelijke aantal mensen laten meeprofiteren van de "informatiesnelweg"?

De taak om de werking van het marktmechanisme in evenwicht te brengen met rechtvaardigheidsoverwegingen is op het internationale vlak minstens zo urgent als op nationaal niveau. Zonder professionele en financiŽle ondersteuning zullen veel landen uiteindelijk achterblijven en geen toegang hebben tot de kansen tot empowerment die de mediatechnologie biedt. We dienen een evenwicht te vinden tussen de markt en overheidsinitiatieven, tussen particuliere vrijheid van handelen en de noodzaak om regels op te stellen uit oogpunt van algemeen belang, tussen de hunkering naar technologie en de schaarste aan beschikbare middelen.

Veel is reeds ondernomen door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP), de Universele Post-Unie (UPU), de Internationale TelecommunicatieUnie (ITU) en de UNESCO, maar met uiteenlopende resultaten. Meer multilaterale samenwerking en onderlinge betrokkenheid zijn dringend nodig. "Opgemerkt werd dat ontwikkelingslanden de discussies over de "informatiesnelweg" interessant vinden, maar dat de meeste in de eerste plaats behoefte hebben aan een "voetgangerssnelweg". Er werd echter op gewezen dat, hoewel de samenleving bepaalde zaken wellicht harder nodig heeft, het belang van de nieuwe technologieŽn voor iedereen onontkoombaar is, zelfs voor hen die op de laagste trede van de sociale ladder staan."14

Paradoxaal genoeg installeren ontwikkelingslanden die nu prioriteit geven aan communicatiemiddelen - niet gehinderd door tientallen jaren oude bekabeling met koperdraad - digitale schakelaars, glasvezelbekabeling en de nieuwste draagbare en mobiele technologieŽn. De meest geavanceerde nationale netwerken bevinden zich bijvoorbeeld in Djibouti, Rwanda, de Malediven en de Solomoneilanden, waar 100% van de hoofdbekabeling digitaal is, tegenover 49,5% in de Verenigde Staten. Alle ontwikkelingslanden bij elkaar zullen de komende vijf jaar zo"n 200 miljard dollar uitgeven voor de aanleg van ruim 300 miljoen hoofdkabels en de verbetering van hun huidige telefoonnetten.

Gezien de omvang van een dergelijke infrastructuur-in-aanleg, zullen overheden gedwongen zijn de particuliere sector te stimuleren om de noodzakelijke gigantische investeringen te doen. Zij zullen er echter tevens op toe moeten zien dat er rekening wordt gehouden met sociale en culturele belangen. Ontwikkelingslanden zullen veel meer geld nodig hebben dan enige ontwikkelingsinstantie kan verschaffen. Vandaar het nut van een programma als het 75 miljoen dollar kostende telecommunicatieproject van USAID in Afrika. Dit geld is niet bedoeld voor de aanleg van nieuwe netwerken, maar om "te helpen bij de hervorming van regelgeving en andere veranderingen". Als er markten worden ontsloten, stroomt het investeringskapitaal snel toe, en in veel delen van de wereld worden voormalige monopolies en gesloten telecommunicatiemarkten opengebroken voor vrije concurrentie, privatisering en buitenlandse bedrijven. Een dergelijke samenwerking kan, mits op voorzichtige wijze gestuurd, de armere landen helpen de geavanceerde technologie voor een infrastructuur te verkrijgen die hen in staat zal stellen om in meerdere opzichten een grote sprong voorwaarts te maken.

De Commissie is zich ervan bewust dat de methoden van land tot land en van regio tot regio zullen verschillen, evenals de noodzakelijke mix van adviezen en daadwerkelijke hulp. Een groot deel van de kosten zal door particuliere investeerders moeten worden opgebracht en in veel landen zullen er geen hoge overheidsuitgaven mee gemoeid zijn. Het dereguleringsproces voor de huidige telefoon-, kabelen omroepmaatschappijen zal erdoor worden bevorderd, wat hen in staat zal stellen hun activiteiten uit breiden naar andere beschikbare communicatievormen (zoals audio, video en interactieve communicatiemiddelen) waarmee zij hun publiek kunnen bedienen. Deze nieuwe ontwikkelingen zullen nieuwe investeerders aantrekken. Elders zal de ontwikkeling van een digitale infrastructuur moeten worden gekoppeld aan privatisering. In landen die niet over uitgebreide kabelnetwerken beschikken, kan de overheid een grotere rol spelen bij het investeren in de infrastructuur. Deze landen zouden ook moeten worden gestimuleerd om gebruik te maken van geavanceerde digitale technologieŽn (ISDN), waarmee bestaande telefoonlijnen dusdanig kunnen worden verbeterd dat ze voor interactieve multimedia kunnen worden gebruikt zonder dat duurdere glasvezelbekabeling nodig is.

De Commissie is er daarom van overtuigd dat innovatieve samenwerkingsverbanden tussen internationale instanties, overheden, de mediawereld en de samenleving moeten worden gestimuleerd. Een dergelijke samenwerking moet overal op gang worden gebracht, niet alleen in de geÔndustrialiseerde landen, waar de media al in hoge mate ontwikkeld zijn.

 


Uitdagingen van een door media overspoelde wereld
De zoektocht naar beginselen op nationaal
niveau
pijltje.gif (895 bytes) Van nationaal naar internationaal beleid

pijltje.gif (179 bytes) Een door media overspoelde wereld
Inleiding
Samenvatting
Rapporttekst
pijltje.gif (179 bytes) Een nieuwe mondiale ethiek
pijltje.gif (179 bytes) De noodzaak tot pluralisme
pijltje.gif (179 bytes) Rethinking Cultural Policies
Algemene Inleiding
Algemene samenvatting
Recensie [EN]

menuweegschaal_nl.gif (1423 bytes)