|
![]()
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() ![]() ![]() ![]()
|
2. Stimuleren van verscheidenheidDank zij de internationale commerciële media is nu een zekere mate van toegankelijkheid en programmakeuze mogelijk, met name nu satellietzenders die in de meeste gebieden kunnen worden ontvangen ook lokale programma"s in hun pakket opnemen. In zakelijk opzicht is dit handig. Wanneer mediabazen ontdekken dat hun "mondiale cultuurproduct" moeilijk verkoopbaar is, zullen ze bereid zijn hun programma"s aan te passen, om zo hun publiek tevreden te stellen. MTV bijvoorbeeld, de satellietzender uit de Verenigde Staten die videoclips uitzendt, heeft zijn mondiale strategie herzien en is nu regionale uitzendingen met een lokaal accent aan het ontwikkelen. MTV wil de wereldwijde aanwezigheid en één enkel merk combineren met een product dat bestemd is voor aparte markten (de Verenigde Staten en Canada, Europa, Brazilië, Japan, Taiwan, India en Spaanstalige kijkers in de Verenigde Staten). Andere compromissen geven aan hoe moeilijk het is om een evenwicht te vinden tussen overheidsen privé-belangen en tussen mondiale en plaatselijke belangen. De beslissing van de Indiase regering in juni 1995 om CNN International ruimere toegang tot de Indiase markt te geven door beperkte zendtijd toe te staan op het door de overheid gemonopoliseerde radioen televisienet Doordarshan, is een voorbeeld van een nationale poging om de informatiestroom van mondiale media onder controle te krijgen. Maar is dit voldoende? Ondanks aanpassingen aan lokale markten wordt gelijkschakeling nog steeds door technologische en economische factoren bevorderd. Zolang kijkcijfers het hoogste goed zijn, zullen creatieve mogelijkheden beperkt blijven. Dit is ook het geval waar de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt door regimes die macht uitoefenen over de verspreiding van informatie. Om voor de uitwisseling van informatie tussen volken maximaal te kunnen profiteren van de internationale media, moet de mondiale mediawereld gevarieerder worden, vergelijkbaar met de situatie zoals die nu in een aantal landen bestaat. Omdat informatie dank zij de vooruitgang in digitale technologie steeds compacter kan worden verzonden, is er nu een distributiemiddel met een nagenoeg ongelimiteerde capaciteit voorhanden. Slechts enkele technische hindernissen moeten nog worden overwonnen om het aantal en de verscheidenheid van de signalen rond de aardbol enorm te doen toenemen. Als het gaat om een mondiale markt werpt de roep om een pluralistischer mediabestel nu vragen op die voornamelijk op beleidsniveau liggen. Kan de op nationaal niveau geaccepteerde rol van publieke en alternatieve media als factoren die gelijkwaardigheid bevorderen ook internationaal worden toegepast? Op welke basis kunnen fondsen voor alternatieve internationale zenders worden bemachtigd? Het concept van een "publieke mediaruimte" steunt op de gedachte dat publieke en particuliere media naast elkaar kunnen bestaan. De publieke mediaruimte is, gezien de vanouds gebruikelijke mediareglementering en het bestaan van publieke radioen televisieomroepen, in de meeste landen stevig verankerd. Alternatieve educatieve en lokale media, of het nu plaatselijke kranten in Maleisië of lokale radio in Latijns Amerika zijn, helpen mee om deze publieke ruimte vorm te geven. Hoewel er voorbeelden bestaan van publieke omroepen (bijvoorbeeld de BBC World Service) die de nationale grenzen hebben overschreden, vallen deze niet onder het begrip internationale publieke ruimte. Tien jaar geleden begon CNN met zijn internationale satellietzender. Momenteel begint een mondiale informatieen communicatie-infrastructuur vaste vormen aan te nemen. De kwestie van publieke omroepen en publieke ruimte moet daarom een internationale dimensie krijgen. De publieke media zijn het podium (of zouden dat moeten zijn) waarop alle geledingen en niveaus van een samenleving hun stem kunnen laten horen. Zijn er daarom geen gelijksoortige internationale systemen nodig die beter beantwoorden aan de uiteenlopende behoeften van alle volken? Commerciële satellietzenders maken gebruik van radiogolven zonder te refereren aan het concept "publieke ruimte". De "mondiale ruimte", gedefinieerd als het spectrum van radiofrequenties dat door satellieten wordt gebruikt, is er voor iedereen. Zoals Alvin Toffler heeft benadrukt: "Het spectrum behoort, net als de oceaanbodem en de lucht die wij inademen, aan iedereen toe en niet slechts aan een enkeling. Althans, zo zou het moeten zijn". Toch is het gebruik van deze mondiale ruimte door middel van internationale afspraken onder leiding van het ITU ingedeeld, waarbij de individuele belangen van overheden tot dusverre hebben overheerst. Iedere overheid beheert de aan haar toegewezen frequenties vanuit haar eigen doelstellingen. In ruil voor het gebruik van dit algemene goed moeten binnenlandse telecommunicatieen omroeporganisaties meestal aan bepaalde eisen voldoen en een tarief betalen. Vergelijkbare algemene verplichtingen voor internationale zenders die gebruik maken van de mondiale mediaruimte bestaan echter niet. Deze leemte zou de kern moeten zijn van het komende debat over de manier waarop we de mondiale ruimte op mediagebied het beste kunnen delen. Het eenvoudigste voorstel is een internationale belasting waarmee nieuwe inkomsten worden gegenereerd om te investeren in alternatieve regionale en mondiale zenders en programma"s. Deze kan worden geheven op het commerciële gebruik van de mondiale ruimte, vergelijkbaar met de voorgestelde belasting op grensoverschrijdende kapitaalstromen en op het gebruik van fossiele brandstoffen. Er kunnen methoden worden onderzocht die vergelijkbaar zijn met de compensatie die, zoals voorgesteld, betaald zou moeten worden voor het vrije gebruik (of misbruik) van de open zee door commerciële visserijen scheepvaartmaatschappijen en de mijnindustrie. Er is behoefte aan gedetailleerde studies om na te gaan of dergelijke ideeën ook kunnen worden toegepast voor de financiering van alternatieve publieke mediadiensten. Uiteraard moeten ook de verschillende implicaties op het gebied van de rechtsbevoegdheid in dergelijk onderzoek worden betrokken. Een andere mogelijkheid is een strategie die gericht is op investeringen: een belasting die bestaat uit een klein percentage van de bruto-inkomsten van alle commerciële mediaen communicatievormen zou de basis kunnen vormen van een investeringsfonds voor de productie en distributie van alternatieve programma"s. Zo"n investeringsfonds kan worden opgericht zonder tussenkomst van een instantie die verantwoordelijk is voor de regelgeving met betrekking tot vergunningentarieven voor het frequentiespectrum. Met deze aanpak kan men zonder onderscheid zowel buitenlandse als binnenlandse commerciële belangengroepen belasten. De Commissie doet daarom de aanbeveling om de haalbaarheid van deze en andere financieringsmogelijkheden serieus te onderzoeken. Zij benadrukt dat elke poging om door middel van afbakening van de publieke mediaruimte verscheidenheid in programma"s te bewerkstelligen in het belang is van de particuliere sector, die al zeer veel in de internationale communicatie-infrastructuur heeft geïnvesteerd. Het creëren van een vraag naar nieuwe programma"s en diensten, vooral wanneer de capaciteit niet langer een probleem is, kan zelfs verdere investeringen stimuleren in gebieden waar de ontwikkeling van een dergelijke infrastructuur traag verloopt. Welke benadering ook wordt gekozen, er bestaat weinig twijfel dat de multimediatechnologie spoedig zal leiden tot veel flexibeler en interactieve mogelijkheden voor wereldwijde programmering, expressie en verspreiding.
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||