Internationale Dag van de persvrijheid

juni 2003 -

Repressie van journalisten wordt vaak niet bestraft. De internationale Dag van de persvrijheid (World Press Freedom Day) op 3 mei jl. stond dit jaar in het teken van die straffeloosheid. De jaarlijkse Dag is een initiatief van Unesco, die hiermee het belang van onafhankelijke media wil benadrukken.

Iedere week sterven er journalisten bij het uitoefenen van hun werk. De meeste vallen niet aan het oorlogsfront, maar worden vermoord door criminelen of overheidsdienaren omdat ze corruptie of machtsmisbruik aan het licht willen brengen. Volgens het jaarlijkse rapport van de Reporters sans Frontières, een niet-gouvernementele organisatie in Parijs, werden er in 2002 25 journalisten vermoord, zaten er 700 achter de tralies, en werden er 1420 aangevallen, bedreigd of ontvoerd.

Het Committee to Protect Journalists (CPJ) kwam op een totaal van 54 gesneuvelde journalisten. Volgens de organisatie is Irak, waar in de eerste weken van de oorlog negen journalisten werden gedood, het meest persvijandige land ter wereld. Cuba staat op een goede tweede plaats. Fidel Castro zette in maart 2003 28 journalisten achter de tralies, waarvan sommigen voor levenslang. Ook Vietnam, Afghanistan, Eritrea, Togo en Colombia staan in de toptien.

Tijdens de opening van de internationale conferentie in Jamaica riep Koïchiro Matsuura, directeur-generaal van de Unesco, alle regeringen op misdaden tegen journalisten te bestraffen. Kofi Annan, Secretaris Generaal van de VN, markeerde de dag met een boodschap over het gevaar van de haatmedia: sterk negatieve berichtgeving over bepaalde groepen mensen. Dergelijke etnocentrische lastercampagnes zouden massamoorden in Rwanda, Bosnië en de Ivoorkust hebben aangewakkerd.

De Unesco/ Guillermo Cano World Press Freedom Prize ging dit jaar naar Amira Hass. Zij rapporteert al tien jaar vanuit de bezette Palestijnse gebieden voor het Israëlische dagblad Ha'aretz.