Jongeren, cultuur en vrijheid in Irak

augustus 2006 -

Mariwan Kanie, een Iraakse vluchteling in Nederland, over hoe jongeren en cultuur in zijn land van herkomst zuchten onder een streng religieuze censuur.

Het moderne Irak is nooit een land voor jongeren geweest. De lange jaren onder de Irakese dictator Saddam Hussein waren jaren vol oorlogen, mateloos gebruik van geweld en de militarisering van het dagelijks leven. Het tijdperk na Saddam Hussein is ook een tijd van blind en bloedig geweld, sektarische haat en een zware religieuze druk op diverse aspecten van het dagelijks leven.

Saddam Hussein wilde van Irak één grote kazerne maken, iedereen moest soldaat worden, van kind tot bejaarde, van kunstenaar tot hoogleraar. Kinderen kregen vanaf de brugklas militaire trainingen en Saddam had zelfs een speciaal leger opgericht dat alleen maar uit kinderen bestond. Deze militarisering van het leven reduceerde de cultuur in Irak tot goedkope propaganda voor de dictator. Wie niet mee deed aan propaganda riep de woede van de dictator over zichzelf af.

Irak, ooit het land van grote dichters, beeldend kustenaars en theatermakers, is in de tijd van Saddam Hussein gedegradeerd tot een land met kleine propagandisten. Een Iraakse schrijver noemt de cultuur van Irak in de jaren van Saddam Hussein ’de cultuur van korporaals’. Geen land ter wereld heeft zowel gevluchte kunstenaars, schrijvers en cultuurmakers gekend als Irak in het tijdperk van Saddam Hussein.

De huidige religieuze machthebbers verbeelden Irak niet meer als een kazerne, maar als een grote moskee. Een moskee waarin fanatieke imams zoals Muqtada Al-Sader bepalen wat mag en niet mag, wat cultuur is en wat decadentie. De Iraakse jongeren zijn, net als de Iraakse cultuur, op dit moment onderworpen aan een streng religieuze censuur. De religieuze druk op schrijvers, kunstenaars, theatermakers, acteurs, zangeressen en zangers is enorm toegenomen. In sommige gevallen zijn ze harteloos gedood.
In verschillende Iraakse steden zijn bioscopen opgeblazen, bekende dichters worden in het openbaar bedreigd en het is in sommige steden bijna onmogelijk om theater te maken of te acteren. Waar de fanatiekelingen het voor zeggen hebben, is zelfs het luisteren naar muziek verboden. Studenten aan de universiteit die gingen picknicken, werden door deze fanatiekelingen in het openbaar in elkaar geslagen, omdat in hun optiek de islam picknicken verbiedt.

Gezien deze historische achtergrond is de politieke strijd in Irak grotendeels een culturele strijd. De jongeren die nog steeds de bioscopen bezoeken, de dichters die nog steeds gedichten schrijven, de acteurs die ondanks hun angst acteren en de muzikanten die met hun leven spelen, dagen het systeem uit. Cultuur zet de strijd voort.

Mariwan Kanie is in 1993 vanuit Iraaks Koerdistan naar Nederland gevlucht. In zijn geboorteland verschenen vier boeken van zijn hand, waarmee hij een bekend schrijver werd. Hij levert vanuit Nederland columns aan de Iraaks-Koerdische krant Hawlati, publiceert regelmatig in Trouw en is commentator bij Nova en Netwerk. Daarnaast is Kanie als onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij zich bezighoudt met religie en moderniteit.