Deze tekst is geschreven in opdracht van Winternachten – internationaal literatuurfestival Den Haag, rond het thema ‘Helden van de Geest’. Afshin Ellian las het essay voor als opening van het programma ‘Ik Capituleer – een debat over bedreiging, solidariteit en zelfcensuur in kunst en journalistiek’ met Breyten Breytenbach (Zuid-Afrika), Marjolijn Februari, Sybrand van Haersma Buma, Bas Heijne en Joesoef Isak (Indonesië) o.l.v. Michaël Zeeman.

Afshin Ellian: Stop capitulatie voor bedreiging

februari 2006 -

Het behouden van de vrijheid van meningsuiting is de goedkoopste en duurzaamste wijze om een land te regeren en stabiel te houden. Dit was het ongevraagde advies van Akbar Gandji aan de Iraanse geestelijke leider ayatollah Khamenei. De Iraanse journalist en politiek-filosoof Gandji werd ruim zes jaar geleden veroordeeld tot een gevangenisstraf. Van hoelang, is dan de voor de hand liggende vraag in een rechtsstaat waarin de overheid handelt op basis van vooraf gepubliceerde wetten. Maar wanneer Gandji zal worden vrijgelaten is even willekeurig als zijn vervolging en veroordeling. De tragische geschiedenis van vrijheid van meningsuiting als mensenrecht neemt binnen de wereldwijde mensenrechtenschendingen een bijzondere plaats in. De reden ligt voor de hand: vaak is de onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting een voorspel voor andere mensenrechtenschendingen.

In de meeste islamitische landen en culturen is de vrijheid van meningsuiting iets onbekends. En dat is niets nieuws. Het chauvinisme, etnisch nationalisme en religieuze fanatisme zijn vaak de oorzaken van een gewelddadige houding jegens andersdenkenden.

Ook Nederland wordt sinds kort met deze verschijnselen geconfronteerd. Het is misschien nog niet iedereen opgevallen, maar dat is wel het geval. Voordat ik daarop inga wil ik eerst een verschijningsvorm daarvan in de islamitische wereld bespreken: de moord op de intellectueel Kasrawi.

Als intellectuelen in een islamitisch land kritische debatten over de islam of de politieke islam willen voeren, zullen zij met ernstige problemen worden geconfronteerd. Een berucht voorbeeld daarvan is wat Ahmad Kasrawi (1891-1946) is overkomen. Deze jurist, historicus en journalist is in de westerse wereld niet bekend, maar in Iran had hij een grote reputatie als voorvechter van de mensenrechten en de liberale rechtsstatelijke principes. Kasrawi had ook onderzoek gedaan naar de politieke theologie van de islam. Daarin bekritiseerde hij het sjiietische imamconcept. Een aantal ayatollahs beschuldigden hem van kuffer (ongelovigheid). Men verbrandde zijn boeken in het openbaar. Terwijl de geallieerde troepen in Iran, (de Amerikanen in Teheran), het uiteenvallen van het nazisme in Europa met spanning volgden, vond in Teheran een bizarre gebeurtenis plaats. Een talib (enkelvoud van Taliban: religieuze leerling) genaamd Nawab Safawie had een geheime organisatie gevormd om "de vijanden van de islam" gewapenderhand te bestrijden: De Fedaian van de islam. Safawie ging naar een imam en verzocht hem een fatwa inzake Kasrawie. Hij kreeg wat hij zocht, namelijk een fatwa inhoudende de doodstraf. Op 28 april 1945 werd Kasrawi op klaarlichte dag aangevallen door Safawie. Kasrawie overleefde deze aanslag. De dader werd gearresteerd, maar daarna lukte het hem om te vluchtten naar Najaf (Irak). Daar gaf hij een tijdje leiding aan een terreurgroep.

Maart 1946. Europa is weer een vrij continent. Maar in Teheran barstte weer de strijd om de vrijheid van meningsuiting uit. Op basis van een aangifte van een aantal taliban werd Kasrawi in Teheran door het OM gedagvaard wegens smalende godslastering. De Iraanse justitie was aanvankelijk niet bereid hem te vervolgen. Eerst hoopten ze de zaak naar de geallieerde troepenmacht te kunnen verwijzen. Daarbij zou dan de Iraanse justitie een beroep doen op het geallieerde verdrag waarin de vrijheid van meningsuiting voor alle Iraniërs werd gewaarborgd. Deze zaak was echter volgens de geallieerden een interne aangelegenheid. Inmiddels weten we dat de Amerikanen de Iraanse politie ertoe hebben bewogen om het huis van Kasrawie te bewaken. 11 maart 1946, Teheran, het paleis van Justitie. Op die dag zou Kasrawie worden berecht. Via de pers wisten acht leden van 'de Fedaian van de islam' de tijd en de plaats van de zitting. Ze bestormden de rechtbank. Kasrawie en zijn secretaris werden daarbij vermoord. De daders gebruikten zowel vuurwapens om de schrijver te doden en een mes om hem daarmee te verminken.

Misschien dat nu langzaam de parallel met Nederland zich opdringt. Want deze gevaarlijke traditie is helaas ook naar Europa geëxporteerd. Op 2 november 2004 werd de cineast en columnist Theo van Gogh vermoord. De Europeanen waren diep geschrokken van deze moordaanslag. De dader, Mohammed Bouyeri, zei in de rechtbank dat hij uit overtuiging had gehandeld. De laatste, bijna magische woorden van Mohammed Bouyeri waren zeker voor de gemiddelde Nederlandse burger onthutsend:

'Verder wat betreft uw kritiek. Wellicht dat u met Marokkanen bedoelt de moslims. Ik neem u dat niet kwalijk, want dezelfde wet die mij opdraagt om iedereen die Allah en zijn profeet uitscheldt de kop eraf te hakken, diezelfde wet verplicht mij om mij niet in dit land te vestigen. Of in ieder geval in een land waar het vrije woord, zoals de officier van justitie heeft beschreven, wordt verkondigd. (...) En ik denk, die politieagenten, die 2 november ook met mij geconfronteerd waren, dat die het recht hebben om te weten dat ik niet schoot om jullie te ontzien, maar ik schoot om te doden en om gedood te worden.'

In 1989 viel de Berlijnse muur. Deze was het symbool van het totalitaire marxisme dat bijna een eeuw lang de Oostelijke staten en een deel van West-Europa in de greep had gehouden. Talloze schrijvers en intellectuelen werden in de Soviet-Unie en haar satellietstaten geknecht en in hun vrijheid belemmerd. Maar in datzelfde jaar diende zich een nieuwe vorm van totalitarisme aan: de fatwa over Salman Rushdie door Ayatollah Khomeiny die - geheel in de traditie van de moord op Kasrawi - ook opriep tot het vermoorden van een schrijver: dit keer een Britse schrijver. De aanval op de Duivelsverzen van Salman Rushdie was misschien te beschouwen als de geboorteakte van het talibanisme in Europa: boekenverbrandingen, bedreigingen en terreuraanslagen op de uitgevers en vertalers. De Europese staten en intelligentsia hebben niet willen wijken voor deze terreurdreigementen. Het Internationale Parlement van Schrijvers durfde zich ook te verzetten tegen de niet-statelijke vormen van terreur. Maar die veerkracht lijkt Europa kwijt te zijn. Helaas was na de moord op Van Gogh een ommekeer te zien ten aanzien van vrijheid van meningsuiting. Nu gaat het om de film Submission, van Theo van Gogh en het Nederlandse parlementslid Ayaan Hrisi Ali, over de vrouwenonderdrukking in de islamitische cultuur.

Sinds 2 november 2004 wordt de film Submission niet meer vertoond.

In feite berust op deze film een soort informeel vertoningsverbod. Dit verbod is niet afgekondigd door een overheid, maar door criminele groeperingen die dreigen met terreur. In Nederland anno 2005 durft de producent het niet aan een filmpje van 10 minuten aan het publiek te tonen, omdat de veiligheid van zijn filmbedrijf niet kan worden gewaarborgd. Dit vinden we in Nederland langzamerhand ook nog normaal. Waarom strijden we eigenlijk voor de vrijheid van meningsuiting van de kunstenaars en journalisten in getiranniseerde landen zoals Iran wanneer de situatie in Nederland daar verdacht veel op begint te lijken?

Gelukkig wordt hier Duivelsverzen opnieuw uitgegeven, maar kan dat eigenlijk nog wel? Is dat boek zo langzamerhand ook niet het opsteken van een sigaret in een kruitfabriek? Onder het mom van "islamofobie" en "racisme" dreigt het vrije woord steeds verder te worden beknot. En er zijn al intellectuelen die vrijwillig hebben gecapituleerd. Zo ging de opera Aisha in Rotterdam in 2001 niet door omdat de vrouw van de profeet op het toneel zou worden verbeeld. De voorstelling moest worden afgelast omdat actrices zich bedreigd voelden. En recentelijk stopte een columniste van de landelijke Nederlandse krant NRC Handelsblad, Hasna el Maroudi, met haar column vanwege de fysieke bedreigingen vanuit de Marokkaanse gemeenschap. Waar blijft de burgermoed? Waarom horen we niks van de uitgevers, kunstenaars, media en collega's van gecapituleerde personen, over de gevolgen van deze zelfgekozen capitulatie?

Burgermoed moeten we niet alleen verwachten van de bedreigden zelf, maar ook van de omgeving, de uitgever, producent, de collega's, etc.

Ik heb eerder kennisgemaakt met de politiek-religieuze intolerantie. Ik weet hoe het begint, hoe het zich ontwikkelt. Laat nu niemand zeggen dat we in de greep zijn van islamofobie of racisme. Heus mensen - dat ziet er echt anders uit. Luther was geen catholicofoob. Hij had kritiek op de kerk. Voltaire was geen religiofoob. Hij had slechts kritiek op intolerante manifestaties van de godsdienst. Had de Reformatie moeten worden afgewenteld met het argument dat Luther niet "alle katholieken mocht stigmatiseren"?

Ook intellectuelen zelf roepen steeds meer op tot zelfcensuur en politiek correcte berichtgeving over intolerante tendenzen. Is dit land zijn lust voor vrijheid kwijt? Is het land waarin Pierre Bayle en John Locke hun boeken publiceerden een land van gesluierde meningen geworden?

Niemand is erop uit álle leden van een bepaald geloof te stigmatiseren of over één kam te scheren. Het is een malicieuze aantijging dat steeds maar weer te herhalen. Wat alleen wel recht overeind moet staan, is de mogelijkheid om vrijmoedig religie te kritiseren, ook al is dat de radicalen onwelgevallig.

Juist in Nederland heeft men een traditie hoog te houden. We zouden het ook niet normaal hebben gevonden wanneer de boekhandels Duivelsverzen niet zouden willen verkopen. Deze kwestie is niet langer een lokale aangelegenheid. Door een vorm van internationale solidariteit zouden we onze angsten moeten overwinnen. Nu is het Nederland dat behoefte heeft aan dergelijke solidariteit. Daarom ben ik van mening dat deze zaak moet worden geïnternationaliseerd.

Daarvoor zou een international comité moeten worden opgericht, dat de film Submission in beheer moet nemen en aan iedereen die hem wil vertonen, ter beschikking zal stellen. Zodoende kan dit vertoningsverbod worden opgeheven. Een democratische cultuur kan niet functioneren zonder de burgermoed. Laten we dus moed tonen en het verbod op de film Submission opheffen.

Afshin Ellian is hoogleraar Sociale cohesie, burgerschap en multiculturaliteit, departement Metajuridica (Encyclopedie van de rechtswetenschap) aan de Universiteit van Leiden