Tien geboden voor multicultureel Nederland

oktober 2006 -

Hoe moet Nederland omgaan met het taalgebruik van etnische minderheden? Hierover discussieerden schrijvers, wetenschappers, studenten en andere geïnteresseerden op 27 september in het Korzo Theater te Den Haag.

Het was de eerste bijeenkomst in een serie van drie debatten over de toekomst van multicultureel Nederland. Georganiseerd door het literair festival Winternachten en het Institute of Social Studies. Onder leiding van de Nederlands-Marokkaanse schrijver en wetenschapper Fouad Laroui ging een enthousiast internationaal gezelschap op zoek naar drie dringende adviezen. Aan het eind van de serie moet dit resulteren in de formulering van tien geboden.

Gij zult niet bang zijn voor de tong van een ander.

Dit eerste gebod komt van de Zuid-Afrikaanse schrijver Etienne van Heerden. Aanvankelijk luidde zijn stelling: 'Gij zult een ander niet de tong uit zijn mond stelen.' Maar nadat iemand uit de zaal opmerkte dat er tegenwoordig in Nederland nogal wat angst bestaat voor vreemde talen en gebruiken is de formulering aangepast.

Moderne samenlevingen zoals Nederland moeten volgens Van Heerden een balans zien te vinden tussen plaatselijke en buitenlandse culturen. De schrijver spreekt in dit verband van 'glocality': een mix van globaal en lokaal. En hij waarschuwt voor window-dressing: de belangstelling voor andere culturen moet dieper gaan dan zo af en toe een Indisch rijsttafel eten.

Alle talen zijn gelijk, maar Nederlands is meer gelijk.

Bedenker van dit tweede gebod is de Nederlandse schrijver en sociolinguïst René Appel. Hij is deskundig op het gebied van taalgebruik door etnische minderheden. De afgelopen jaren is vooral in de grote steden onder jongeren een nieuwe 'straattaal' ontstaan, opgebouwd uit Surinaamse, Marokkaanse, Nederlandse en andere woordenschatten. Appel doet er onderzoek naar en beschouwt het als een positief teken van multiculturele levendigheid en creativiteit.

In linguïstisch en cultureel opzicht zijn alle talen gelijkwaardig, benadrukt de taalwetenschapper. Maar vanuit sociaal oogpunt is het volgens hem wenselijk dat de inwoners van een land in ieder geval één gemeenschappelijke taal spreken. De verschillende bevolkingsgroepen moeten elkaar immers kunnen verstaan. Bovendien is een goede beheersing van de officiële taal essentieel voor een verbetering van de sociaal-economische positie van minderheden. In Nederland is daarom het Nederlands meer gelijk dan andere talen.

Wij moeten verschillen omarmen want diversiteit in taal is een culturele schat.

Dit derde dringend advies is geformuleerd door de Keniase schrijfster en onderwijsdeskundige Auma Okwany. Zij is docent sociaal beleid aan het Institute of Sociale Studies te Den Haag. 'Taal is zowel een communicatiemiddel als een cultuurdrager', zo stelt zij. Wanneer beide functies met elkaar in evenwicht zijn dan versterken ze elkaar. Daarom is het volgens Okwany belangrijk dat er voor minderheden naast de officiële taal ook ruimte blijft om hun eigen oorspronkelijke taal te bezigen. In het veeltalige Kenia wordt net als in veel andere ontwikkelingslanden voor kinderen de sociale harmonie verstoord zodra ze naar school gaan. Dan worden ze namelijk geconfronteerd met een dominante taal die ze meestal slecht beheersen.

Verder merkt de schrijfster op dat multiculturaliteit voor Nederland een gegeven is. Meertaligheid beschouwt zij als een teken van culturele rijkdom. 'Dat moet je dus niet tegenwerken maar koesteren.'

De volgende debatten in de serie World Speakers zullen plaatsvinden op 21 november 2006 in het Korzo Theater (thema: onderwijs) en op 12 januari 2007 in het Theater aan het Spui (thema: religie) te Den Haag.