Steun aan cultuur in Afrika, Latijns-Amerika en Azië is niet voorbehouden aan overheden. Wereldwijd opereren omvangrijke private fondsen met een eigen cultuurbeleid. Hun strategieën zijn minder beïnvloed door politieke overwegingen, maar vloeien voort uit maatschappelijk verantwoord ondernemen of filantropisch idealisme. Deel drie.

Open Society Institute

augustus 2007 -

Steun aan cultuur in Afrika, Latijns Amerika en Azië is niet voorbehouden aan overheden. Wereldwijd opereren omvangrijke private fondsen met een eigen cultuurbeleid. De strategieën zijn minder beïnvloed door politieke overwegingen, maar vloeien voort uit maatschappelijk verantwoord ondernemen of filantropisch idealisme.

Het Open Society Instituut is het geesteskind van de Amerikaanse miljardair en politiek activist George Soros, die zijn rijkdom aan de beurs vergaarde en in de jaren '70 zijn eerste schreden als filantroop zette. Hij financierde onderwijs voor zwarte studenten in Zuid-Afrika onder de apartheid en steunde dissidentenbewegingen achter het IJzeren Gordijn. Het Open Society Instituut, opgericht in 1993 en gezeteld in New York en Boedapest, dient als overkoepelende institutionele basis van de nationale Soros Foundations. Deze autonome organisaties zijn waakhond en steunpilaar in inmiddels meer dan zestig landen waar volgens de filantroop de democratie wankelt, inclusief de Verenigde Staten. George Soros ervoer in zijn Hongaarse jeugdjaren de gevolgen van nazisme en communisme en put inspiratie uit het werk van de filosoof Karl Popper en diens kritiek op totalitaire regimes. Hij is een befaamd tegenstander van George W. Bush. In een interview met de Washington Post in 2003 zei hij zijn fortuin te willen offeren als dat de val van de Amerikaanse president zou garanderen.

Kunst en cultuur kunnen volgens Soros maatschappelijke normen en waarden beïnvloeden, maar die rol wordt door regeringen te weinig erkend. Een autonome en innovatieve kunstensector is de droom van het Open Society Instituut. De Soros Foundations in de Caucasus, Centraal Azië, Turkije en Afghanistan stimuleren onderlinge culturele en artistieke samenwerking via een subsidieprogramma, en werken daarbij samen met de European Cultural Foundation, Hivos en Felix Meritis. De aandacht richt zich eveneens op het cultuurbeleid van de landen in die regio's, het versterken van de zelfstandigheid van kunstenaars, en het vergoten van hun toegang tot de internationale kunstwereld. Daarnaast organiseert het Soros Documentary Fund trainingsprogramma's voor opkomende filmmakers en scriptschrijvers, en steunt het de productie van documentaires over hedendaagse mensenrechtenkwesties.

De Soros Foundation had ook eigen centra voor hedendaagse kunst in zeventien landen in Centraal en Oost-Europa. Deze centra poogden bij te dragen aan de ontwikkeling van de lokale kunstensector met tentoonstellingen, de documentatie van kunstwerken en het bieden van beurzen. Sinds het begin van het nieuwe millennium zijn de kunstencentra zelfstandige organisaties, bijeengebracht in het International Contemporary Art Network (ICAN) dat in Amsterdam is gevestigd. ICAN wil een open platform zijn voor interculturele uitwisselingen en samenwerking op het gebied van hedendaagse kunst.